Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.6.2
8.5.6.2 Volstaan met constatering als nieuwe weg der verzoening. Trendbreuk?
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617884:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.5.2.
Zie daarover par. 4.2.4.2.
Zie voor een sprekend voorbeeld HR 25 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9404, NJ 2002/ 625 m.nt. Schalken (wapen gevonden bij onrechtmatige fouillering, die eerder tot bewijsuitsluiting zou leiden, leidt hier tot strafvermindering) en zie bijv. HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9178, NJ 2006/633 (mondeling bevel tot inkijkoperatie te laat op schrift gesteld).
Zie bijv. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6201, NJ 2006/369 en HR 16 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7635.
Zoals bijv. in HR 6 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1473, NJ 1999/565 m.nt. Schalken en HR 2 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3401, NJ 2000/162.
In HR 22 september 1998, NJ 1999/104 m.nt. De Hullu, werd naast de in art. 359a Sv genoemde mogelijkheden het volstaan met de constatering van een vormverzuim als mogelijke reactie nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Daarmee werd een nieuwe vertakking van de Via della Conciliazione1geopend die het verkeer kon verwerken van zaken waarin niet een schending van de belangen van de verdachte prominent aan de orde is, maar waarin vooral het systeem met zichzelf in het reine moet komen. Dat betekende tegelijkertijd dat het bewandelen van de weg van de strafvermindering kon worden beperkt tot de zaken waarin wel daadwerkelijk individueel nadeel van de verdachte is te compenseren.
Zoals in de VS de ruimte voor de toepassing van dismissal kromp onder invloed van de opkomst van bewijsuitsluiting,2 zo nam in Nederland de rol van strafvermindering af met de opkomst van het volstaan met de constatering van een vormverzuim als reactie.3 In de latere rechtspraak kon de ruimte voor strafvermindering dan ook op verschillende wijzen worden ingeperkt en kon het nadeelvereiste strikter worden geïnterpreteerd,4 zonder dat daardoor de rol voor de ingrijpender reacties zou toenemen. Voor de verdere rechtspraak over strafvermindering was deze nieuwe vertakking van de ‘weg der verzoening’ dus van groot belang, al is de betekenis ervan met de term trendbreuk wellicht wat te zwaar aangezet. De aard van de berechte zaken gaf uiteraard ook richting aan de inhoud van de rechtspraak, en de eerste paar arresten bieden geen al te stevige grondslag voor verstrekkende algemene conclusies. Maar toch contrasteert de latere rechtspraak in sommige opzichten duidelijk met die aanvankelijke arresten. De ruimte voor wat De Hullu treffend ‘oneigenlijke strafvermindering’ noemde,5 is in feite verdwenen, en de losse band tussen verzuim en hoofdzaak waarop Van Dorst wees, is sterk aangehaald.