Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.5.4.c
5.3.5.4.c Kwalificerende voorwaarden medegerechtigdheid vennootschap
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS347948:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie citaat behorend bij voetnoot 158.
Van Gijlswijk (2010) merkt op dat het nog maar de vraag is of aan deze voorwaarde wordt voldaan als de commanditaire participatie met toepassing van art. 3.65 Wet IB 2001 geruisloos is ingebracht in de BV. De vennootschap heeft dan geen materiële onderneming gedreven. Ik ben het met Van Gijlswijk eens dat in een dergelijke situatie art. 4.17a Wet IB 2001 zou moeten kunnen worden toegepast. Dit zou dan tevens voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de schenk- en erfbelasting moeten gelden.
Zie uitgebreider wanneer hiervan sprake kan zijn Essers en Van Kempen, Cursus Belastingrecht IB, 3.2.30.B.a.
Zoals hiervoor bij het houden van een in box 1 gehouden medegerechtigdheid aan de orde is geweest, heeft de wetgever eveneens voorwaarden gesteld alvorens aandelen in een vennootschap die een medegerechtigdheid houdt kunnen kwalificeren voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de schenk- en erfbelasting. Als argument wordt ook hier aangevoerd dat alleen reële bedrijfsopvolgingen moeten worden gefaciliteerd.1 Waar het betreft een medegerechtigdheid als bedoeld in art. 3.3, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is hiervan sprake als de medegerechtigdheid een rechtstreekse voortzetting vormt van een eerder door de vennootschap gedreven materiële onderneming.2 Vervolgens geldt dat de vervreemde aandelen of winstbewijzen worden verkregen door een persoon die reeds beherend vennoot is van de onderneming waarop de medegerechtigdheid betrekking heeft, dan wel enig aandeelhouder is van een vennootschap die reeds een zodanig beherend vennoot is.
Het vereiste dat de medegerechtigdheid een rechtstreekse voortzetting moet zijn van een eerder door de vennootschap gedreven onderneming als bedoeld in art 3.2 Wet IB 2001 zou moeten vervallen. Dit geldt niet zonder meer voor het vereiste dat de opvolger of zijn vennootschap beherend vennoot moet zijn in de CV. Voor de argumentatie verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor heb geschreven bij een in box 1 gehouden medegerechtigdheid (zie paragraaf 5.3.5.3).
Door art. 35c, derde lid, SW 1956 worden andere onder art. 3.3, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 vallende situaties van de faciliteit uitgesloten. Als voorbeeld geldt de situatie dat de vennootschap waarin het ab wordt gehouden een onderneming verhuurt. De verhuurder van een materiële onderneming kan als medegerechtigde in de zin van art. 3.3, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 kwalificeren. De medegerechtigdheid kan evenwel nooit voldoen aan de in het derde lid van art. 35c SW 1956 genoemde voorwaarden. Dit geldt tevens bij de overdracht van een onderneming tegen een winstrecht (zie nader paragraaf 3.2.4.3). Art. 3.3, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 lijkt bewust te zijn geschreven voor belangen in commanditaire vennootschappen. De wetgever heeft voor bepaalde situaties besloten een faciltiteit te bieden. Dit zien we ook terug bij de behandeling van preferente aandelen. Ook daarvoor geldt dat alleen indien aan de in het vierde lid van art. 35c SW 1956 genoemde voorwaarden wordt voldaan, recht bestaat op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. In paragraaf 6.3.2.2 komt aan de orde of ook andere vormen van medegerechtigdheid voor de faciliteit in aanmerking zouden moeten komen.
Het voorgaande geldt niet indien de verhuur van de onderneming onder art. 3.2 Wet IB 2001 wordt belast. Alsdan moet sprake zijn van het rechtstreeks verbonden worden voor verbintenissen betreffende de onderneming, in casu de verhuur van de onderneming.3 Indien hieraan wordt voldaan, worden belastingplichtigen niet geconfronteerd met de in het derde lid van art. 35c SW 1956 gestelde voorwaarden. Er is dan immers geen sprake van een winstgerechtigdheid. Alsdan komen aandelen in een kapitaalvennootschap waarvan de onderneming wordt verhuurd voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in aanmerking, mits wordt voldaan aan de overige voorwaarden.