Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.5.2
2.2.3.5.2 Artikel 1 Eerste Aanvullende Protocol EVRM en artikel 14 EVRM
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859060:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Perrick in zijn noot onder ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206.
Gerards, NJCM-Bulletin 2004/nr. 2, p. 176 en EHRM 13 juli 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:0713JUD006949801 (Pla et Puncernau/Andorra), r.o. 54.
EHRM 13 juli 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:0713JUD006949801 (Pla et Puncernau/Andorra), r.o. 54.
EHRM 13 juli 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:0713JUD006949801 (Pla et Puncernau/Andorra), r.o. 54.
Hof Amsterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2246.
Hof Amsterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2246.
Vgl. De Vries & Leire, TE 2022/03, p. 69.
Vgl. De Vries & Leire TE 2022/03, p. 69.
Leire & ik benaderen de kwestie vanuit het perspectief van de erflater. Het zij opgemerkt dat ook vanuit de erfrechtelijke verkrijgers bezien een beroep op art. 1 EAP in combinatie met art. 14 EVRM niet is uitgesloten. Betoogd zou kunnen worden dat sprake is van discriminatie van de opvolgende erfrechtelijke verkrijger zonder family life ten opzichte van de opvolgende erfrechtelijke verkrijger met family life, indien er tegen de erflater daden zijn gepleegd die tot onwaardigheid zouden leiden en de dader niet meer in leven is, waardoor een veroordeling onmogelijk is geworden. De eerste zal immers geen aanspraak maken op de erfenis en de tweede wel, zonder dat daar een objectieve en redelijke verantwoording voor is. Vgl. ook EHRM 28 oktober 1987, ECLI:CE:ECHR:1987:1028JUD000869579, NJ 1989/661, m.nt. E.A. Alkema (Inze/Oostenrijk). Het gaat het bestek van dit onderzoek te buiten hier nader op in te gaan.
Eisers hebben, naast een beroep op artikel 8 EVRM, bij het Hof nog in stelling gebracht dat sprake zou zijn van discriminatie tussen erfgenamen bij wie wel sprake is van een onherroepelijke veroordeling van de dader wegens moord en erfgenamen bij wie de onherroepelijke veroordeling ontbreekt. Dit verschil in behandeling is volgens eisers in hun geval met geen enkele objectieve reden te rechtvaardigen. Met name niet omdat de Roemeense overheid ook heeft geconstateerd dat Aurel verantwoordelijk is voor de dood van Tatiana. Deze klacht is tardief en wordt daarom niet inhoudelijk behandeld. In deze paragraaf wordt alsnog kort stilgestaan bij artikel 14 EVRM (discriminatie) in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullende Protocol (EAP) (bescherming van eigendom).
In dit geval is family life van Tatiana’s vader geschonden en wordt er een schending van artikel 8 EVRM vastgesteld. Dat is volgens Perrick niet het geval als Tatiana een testament heeft opgesteld waarin zij voor het geval dat Aurel onwaardig zou zijn een algemeen nut beogende instelling (ANBI) tot enig erfgenaam heeft benoemd. In dat geval volgt uit de Roemeense erflater niet dat Aurel als onwaardig dient te worden aangemerkt, omdat het aanvaarden van Aurel als erfgenaam van Tatiana niet leidt tot een inbreuk op family life van de ANBI, aldus Perrick.1 Gedacht kan ook worden aan de situatie dat geen bloedverwant tot opvolgend erfgenaam is benoemd, maar een persoon met wie erflater geen family life had. Biedt de combinatie van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EAP uitkomst in dergelijke gevallen, dat wil zeggen in situaties waarin family life niet in het geding is?
Het genot van de rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, aldus artikel 14 EVRM. Deze bepaling heeft een accessoir karakter, wat inhoudt dat de bepaling alleen inroepbaar is wanneer een ongelijke behandeling betrekking heeft op een expliciet door het EVRM beschermd recht.2 Dat beschermde recht kan hier gevonden worden in artikel 1 EAP. Het artikel bepaalt in het eerste lid dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Het tweede lid vervolgt dat de voorgaande bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Dit accessoire karakter van artikel 14 EVRM brengt niet mee dat artikel 1 EAP geschonden moet zijn. Voldoende is dat artikel 1 EAP van toepassing is.3 Uiteraard dient er wel sprake te zijn van discriminatie en daarmee schending van artikel 14 EVRM.4Artikel 14 EVRM verbiedt daarbij niet iedere discriminatie, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd, omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt.5 Het recht om over je eigendom te beschikken is een wezenlijk onderdeel van het recht op eigendom dat door artikel 1 EAP wordt gegarandeerd.6
Vanuit deze beschikkingsvrijheid van de erflater bezien geldt dat hij vermoedelijk niet wil dat zijn goederen vererven naar degene die jegens hem een van de gedragingen heeft verricht als genoemd in artikel 4:3 BW. Dit ongeacht wie de plaats van de dader opvult: een persoon bij wie family life speelt dan wel een door de erflater gekozen ander persoon of goed doel. Het voorgaande raakt de kern van de beschikkingsvrijheid onder artikel 1 EAP. Er is sprake van discriminatie als de eis van een veroordeling niet geldt als vaststaat dat een gedraging is verricht die tot onwaardigheid leidt en family life in het geding is, terwijl die eis in een dergelijk geval wel gesteld mag worden als family life ontbreekt. In het geval family life in het geding is, vindt de vererving plaats zoals de erflater dat vermoedelijk zou wensen en in het andere geval niet. Daarvoor bestaat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging. Het verdient opmerking dat de verantwoording naar mijn mening dus ook niet kan worden gevonden in het feit dat in het ene geval sprake is van family life en in het andere geval niet.7 Het gaat immers in beide situaties om een erflater die onrecht is aangedaan door een persoon die hij vermoedelijk daarom niet meer wil laten opkomen in zijn nalatenschap. Of de erfrechtelijke verkrijger een bloedverwant is of niet, is daarbij niet van beslissende betekenis. Te minder in de huidige maatschappij waarin sociale verwantschap sterker kan zijn dan bloedverwantschap. Daar komt bij dat de doelstelling van onwaardigheid is te vermijden dat een persoon in bepaalde gevallen erft, waarbij geen beperking geldt ten aanzien van het al dan niet zijn van een bloedverwant.
Het voorgaande brengt mee dat volgens mij een onwaardige gedraging dezelfde gevolgen moet hebben ongeacht wie de opvolgende erfrechtelijke verkrijger is.8 Dit is tevens in lijn met het oordeel van het Hof dat het niet kan aanvaarden dat niet-legitiem handelen zonder gevolgen blijft door het overlijden van de dader (r.o. 132). Als grondslag voor deze conclusie zou artikel 14 EVRM in combinatie met artikel 1 EAP kunnen dienen.9