De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.3.3:1.3.3 Drie praktijkgerichte onderzoeksvragen
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.3.3
1.3.3 Drie praktijkgerichte onderzoeksvragen
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702062:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover bijvoorbeeld: Van Ettekoven, O&A 2016/53; Sluysmans, O&A 2015/88.
Bijvoorbeeld, maar niet uitputtend: Van Wijmen, BR 1989/4, BR 1989, p. 706 en BR 1996, p. 919; Te Rijdt 1991, § 7.2.2; Dijkshoorn 2011, § 7.4.2; De Graaf & Marseille 2011, p. 26; Van Heijst, BR 2015/27; Van Ravels, Ars Aequi 2010/7-8, p. 548.
De Graaf & Marseille 2011, p. 26 e.v.
Huijts, AB 2016/454.
Heinen, Gst. 2015/34.
Neerhof, AB 2011/30.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na de beantwoording van de twee fundamentele onderzoeksvragen, wil ik drie praktijkgerichte onderzoeksvragen beantwoorden. Het opstellen en inzichtelijk maken van een kwaliteitskader voor de schadedeskundigen is in zoverre slechts juridisch-dogmatisch interessant. Het heeft evenwel nog geen praktische implicaties. Het is voor de rechtspraktijk minstens zo belangrijk dat de bij de procedure betrokken partijen kunnen controleren of de deskundige aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet alsmede dat die kwaliteitseisen waar mogelijk worden gewaarborgd. Op het gebied van de kwaliteitscontrole en – borging is er de laatste jaren beweging zichtbaar. Zo leid ik uit de literatuur af dat er in de onteigenings- en nadeelcompensatiepraktijk bijvoorbeeld ervaring wordt opgedaan met de registratie van deskundigen. 1Ook naar de wijzen waarop deze kwaliteitscontrole en - borging kan worden bewerkstelligd, is evenwel nog geen rechtswetenschappelijk onderzoek gedaan. De onderzoeksvraag die ik in dat kader zal beantwoorden, is:
“Bestaan er mechanismen waarmee procesactoren de kwaliteit van de schadedeskundigen kunnen controleren en, indien dat het geval is, welke mechanismen zijn dat en op welke wijze kunnen die mechanismen bijdragen aan de controle en eventueel borging van de kwaliteitseisen?”
Deze vraag kan daarna worden opgevolgd met een onderzoek naar de stand van de controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen in de Nederlandse onteigenings- en nadeelcompensatiepraktijk. Logischerwijs bestaat ook daar nog een leemte in de rechtsgeleerde literatuur. De vraag die zich aandient, is:
“In hoeverre wordt er in de huidige onteigenings- en nadeelcompensatiepraktijk gebruik gemaakt van de gesignaleerde controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen en volstaan die mechanismen om de kwaliteitseisen adequaat te controleren en te waarborgen?”
Voor mijn laatste onderzoeksvraag verlaat ik het terrein van de controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen en wil ik terugkomen op een aspect dat ik al eerder signaleerde. Dat is de soms onbevredigende uitkomst van discussies over de kwaliteit van de schadedeskundige ten overstaan van de rechter. Ook dit is een aspect waarvoor in de rechtsgeleerde literatuur al geruime tijd aandacht wordt gevraagd.2 Zo wijzen bijvoorbeeld De Graaf en Marseille erop dat appellanten in nadeelcompensatieprocedures soms meer verwachten van de ‘onafhankelijkheid’ van de deskundige dan de rechter3 en plaatsen onder andere Huijts,4 Heinen5 en Neerhof6 vraagtekens bij de wijze waarop de bestuursrechter beoordeelt of de schadedeskundige misschien wel ‘partijdig’ is. Aan het slot van dit boek, wanneer duidelijk is over welke kwalificaties de schadedeskundigen moeten beschikken en over hoe die kwalificaties kunnen worden beoordeeld, wil ik die zorgen uit de literatuur onder de loep nemen. Ik kan dan concreet analyseren op welke wijze de (hoogste) rechters omgaan met twijfels omtrent de kwaliteit van de schadedeskundige. De onderzoeksvraag die ik hierbij stel, is:
“Op welke wijze gaat de civiele rechter en de bestuursrechter om met juridische bezwaren omtrent de kwaliteit van de schadedeskundige?”
Net als de eerste onderzoeksvraag, operationaliseer ik ook deze laatste onderzoeksvraag aan de hand van een aantal deelvragen. De eerste deelvraag is of beide rechters (nagenoeg) even vaak worden geconfronteerd met bezwaren over de kwaliteit van een schadedeskundige. Indien dat niet het geval is, is mijn tweede vraag of er mogelijke verklaringen voor dat verschil zijn aan te wijzen. Vervolgens beantwoord ik de deelvraag over welke kwaliteitseisen het vaakst, en over welke eisen minder vaak wordt geprocedeerd. En tot slot analyseer ik aan welke norm(en) beide rechters de kwaliteitseisen toetsen.