Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.4.4
4.4.4 Schorsing of ontslag van rechters
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS499831:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Oud 1970, p. 650. Zie in dezelfde zin Buijs 1884-1887, deel II, p. 477.
Van Boven 1990, p. 269-270.
De Grondwet heeft altijd de term ‘ontslag’ gebezigd. De Wet RO daarentegen kent die term voor gevallen waarin de Hoge Raad rechters kan ontslaan pas sinds 7 september 1972 (Stb. 461). Tot dan werd de term ‘ontzetting’ (uit het ambt) gebruikt. De bevoegdheid om rechters te schorsen is pas in 1983 grondwettelijk vastgelegd. Toch was al voor die tijd in art. 13 Wet RO (oud) geregeld dat de Hoge Raad in de daar vermelde gevallen een lid van de rechterlijke macht in zijn bediening kon schorsen. Volgens Oud was dat niet in strijd met (de geest van) de Grondwet (Oud 1970, deel II, p. 650) over toenmalig art. 180 lid 4 Gw.
Hierover heeft de regering opgemerkt: ‘Dat dit ontslag in handen is gelegd van een bij de wet aan te wijzen gerecht en dus niet steeds van een gerecht in hoogste ressort op het betrokken rechtsgebied, doet aan het karakter van de waarborg niet af. Door de tot het verlenen van de ontslag bevoegde rechter bij wet aan te wijzen, is er een zekere keuzevrijheid die in de praktijk nuttig kan zijn’, Handelingen II 1980/81, p. 3321; Nng, p. 218. Die keuzevrijheid werd gewenst omdat ook administratieve of militaire gerechten door de wetgever tot de rechterlijke macht zouden kunnen worden gerekend (Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 20; Nng, deel 23, p. 24).
Artikelen 46b t/m 46q Wrra; vóór 1 januari 2002 artikelen 11 t/m 14 Wet RO.
Tellegen 1883-I, p. 106.
Buijs 1884-1887, deel II, p. 472.
Akkermans/Koekkoek 2000, p. 537; A.D. Belinfante & J.L. de Reede, Beginselen van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2009, p. 193.
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 20. (Nng, deel 23, p. 24)
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 19; eindrapport staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 270-271.
Dat een benoeming voor het leven niet in de weg staat aan ontslag bij het bereiken van een pensioengerechtigde leeftijd of op eigen verzoek, is aan de orde gekomen in § 4.4.2. De vraag rijst of voor het leven benoemde rechters ook kunnen worden ontslagen als blijkt dat zij niet goed functioneren, of om andere redenen, bijvoorbeeld omdat een rechter ongeneeslijk ziek is. Oud heeft hierover geschreven: ‘Natuurlijk mag de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet met zich brengen dat een rechter nimmer tussentijds van zijn ambt kan worden ontheven. Waarop het aankomt is dat het besluit daartoe wordt genomen door een van de Regering onafhankelijk gezag.’1 Voorop staat dus dat rechters niet door de regering mogen worden geschorst of ontslagen, noch door het parlement overigens. Alleen ten tijde van de Franse periode was de bevoegdheid om rechters te ontslaan niet in handen van de rechterlijke macht zelf. Rechters werden weliswaar voor onbepaalde tijd benoemd, maar op aandrang van Lodewijk Napoleon zelf zou de Koning hen te allen tijde kunnen ontslaan.2 Sinds 1814 bepaalt de Grondwet dat rechters alleen kunnen worden ontslagen op eigen verzoek of bij rechterlijk vonnis, vanaf 1848 met de toevoeging ‘in de gevallen bij de wet bepaald’. Van 1887 tot 1983 wees de Grondwet bovendien exclusief de Hoge Raad aan als bevoegd orgaan tot schorsing en ontslag van rechters (art. 180 lid 4 Gw 1972). Het huidige artikel 117, derde lid, Gw bepaalt dat leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast alleen door een bij de wet aangewezen, tot diezelfde rechterlijke macht behorend gerecht, kunnen worden geschorst of ontslagen.3 De aanwijzing van het bevoegde gerecht is sinds 1983 dus overgelaten aan de formele wetgever.4 Tot nu toe is dat – eerst op grond van de Wet RO, later op grond van de Wrra – nog altijd de Hoge Raad.5
De betekenis van artikel 117, derde lid, Gw voor de rechterlijke onafhankelijkheid is jarenlang onveranderd uitgelegd. In de 19e eeuw wezen diverse auteurs al op het belang van onafzetbaarheid van rechters, althans het ontbreken van een ontslagbevoegdheid bij de regering: ‘Tegenover de aanstelling voor het leven zoeke men dus naar een correctief. Afzetting is mogelijk, doch alleen bij rechterlijke uitspraak ingeval van voortdurende achteloosheid in de waarneming van het ambt (art. 11 der wet op de Rechterlijke Organisatie). Eene bepaling, die op de onafhankelijkheid weinig of geen inbreuk maakt, maar evenmin grooten waarborg geeft voor plichtsbetrachting. Meer hebbe men wellicht te wachten van de openbaarheid der rechtspraak en de verplichting om de vonnissen te motiveeren.’6 Ook Buijs hechtte grote waarde aan de bepaling inzake de onafzetbaarheid van rechters, zoals blijkt uit het volgende citaat bij artikel 163 Gw 1848:
‘Van alle voorschriften, in deze afdeeling van de Grondwet voorkomende, heeft dit laatste, naar ik meen, het meeste recht van bestaan. Al mogen aanslagen op de rechterlijke macht, met het doel om haar te dwingen tot uitspraken overeenkomstig de inzichten van de Regeering of van eene overheerschende partij, in onze dagen vrij wat minder te vreezen zijn dan voorheen, de onafzetbaarheid van hare leden blijft onbetwistbaar een veel afdoende waarborg voor hare onafhankelijkheid, en daarom handelt de Grondwet voorzichtig, wanneer zij dien waarborg verheft tot een groot constitutioneel beginsel, dat, boven de wet gesteld, onttrokken is aan de wisselende inzichten van hen die de wet maken.’7
De regering, pas in latere commentaren wordt ook het parlement expliciet genoemd, mag in verband met de vereiste onafhankelijkheid niet bevoegd zijn om rechters tegen hun wil te ontslaan. Deze bevoegdheid behoort bij de rechterlijke macht zelf te berusten. Dan kunnen regering en parlement geen politieke pressie op de rechters uitoefenen en behoeven rechters niet bang te zijn voor ontslag, wanneer zij een uitspraak doen die de overheid onwelgevallig is.8 Bij de grondwetsherziening van 1983 merkt de regering op dat door de bevoegdheid tot schorsing en ontslag van leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast toe te delen aan een tot de rechterlijke macht behorend gerecht, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht gehandhaafd blijft.9 Zij omschrijft de regeling van artikel 117 Gw in navolging van de staatscommissie-Cals-Donner als een systeem van externe onafhankelijkheid en interne controle: ‘De regeling vervat in dit artikel, geeft de basis voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Haar leden zijn beschermd tegen ongewenste beïnvloeding van buitenaf. Dat wil niet zeggen, dat intern geen controle wordt uitgeoefend op de faits et gestes van de rechters.’10Artikel 117, derde lid, Gw maakt onvrijwillig ontslag dus mogelijk, maar niet door het bestuur en evenmin op willekeurige gronden. De uitwerking van de regeling van schorsing en ontslag van rechters in de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren komt aan de orde in § 6.3 (hoofdstuk 6).