De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.6:5.8.6 Wet universitaire bestuurshervorming (1970)
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.6
5.8.6 Wet universitaire bestuurshervorming (1970)
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949682:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Padmos 1985, p. 17.
Artikel 40 Wet universitaire bestuurshervorming (Stb. 1970, 601). Zie hierover Beijk 2022, p. 43.
Kamerstukken II 1696/70, 10 636, nr. 3, p. 9.
Stb. 1981, 137.
Artikel 40 Wet universitaire bestuurshervorming (Stb. 1981, 137).
B. Olivier, ‘Gewubd en gewogen. Een niet doordacht voorontwerp tot wijziging van de WUB’, AA 1979, 5, p. 249-249.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van onder andere de examens kende het wetenschappelijk onderwijs al sinds de jaren 70 een eigen beroepsmogelijkheid die afweek van de Wet BAB en later de Wet AROB. In deze beroepsprocedure kon er juist wel beroep ingesteld worden tegen beslissingen inzake examens. Dit beroepsrecht komt indirect voort uit de studentenprotesten in de jaren 60.1 Studenten verzetten zich destijds tegen de autoritaire bestuursstructuur van de Nederlands hoger onderwijsinstellingen en pleitten voor democratisering van deze instellingen. Met de Wet universitaire bestuurshervorming 1970 kregen studenten de mogelijkheid om bij de faculteitsraad bezwaar in te stellen tegen onder andere beoordeling van examenresultaten.2 De faculteitsraad zou vervolgens een commissie moeten instellen die bevoegd is te bepalen dat een examen opnieuw wordt afgelegd onder door de commissie vast te stellen voorwaarden. De wetgever koos ervoor om bezwaar open te stellen tegen examenbeslissingen omdat studenten bij een geschil hierover in een te zwakke positie zouden verkeren.3 De Wub kende destijds geen duidelijke bezwaarprocedure of beroepsgronden, het toetsingskader van de commissie was tevens niet geheel duidelijk.
In 1981 werd na een evaluatie de Wub aangepast bij de Wet tweefasenstructuur.4 Met deze wet werd onder andere een college van beroep voor de examens ingesteld die kon oordelen over beroep ingesteld tegen beschikkingen van examinatoren.5 Dit nieuwe college kreeg een duidelijker toetsingskader mee van de wetgever. Het beroep kon ingesteld worden op grond van strijd met bij of krachtens de wet vastgestelde regelingen dan wel met de redelijkheid en billijkheid. Het Cbe had de bevoegdheid beslissingen van examinatoren te vernietigen en te bepalen dat de examinator een nieuwe beslissing neemt met inachtneming van de uitspraak van het Cbe. In de memorie van toelichting schrijft de wetgever dat de beroepscommissie niet de taak heeft zich inhoudelijk over het examen te beraden.6 Het is niet aan het Cbe om een examen inhoudelijk te beoordelen, zij kan slechts de rechtmatigheid toetsen.
Het idee dat het Cbe een tentamen niet (langer) inhoudelijk mag beoordelen, stuitte op weerstand in de literatuur. Olivier schreef in 1979:
“Bij rechtmatigheidstoetsing mag je je niet inhoudelijk over het examen beraden! Wel als dit zo is stelt het beroepsrecht niet veel voor. Ik zal toch moeten kunnen klagen dat een gegeven beoordeling gezien mijn gegeven antwoord niet redelijk te noemen is? Daarover gaan nu juist de meeste beroepen, heb ik de indruk.”7
Het idee dat een beoordelingsbeslissing niet getoetst mag worden door een derde, zoals het Cbe of een rechter, was destijds dan ook niet vanzelfsprekend. Zoals beschreven zal worden in § 5.9.2. zijn de bevoegdheden van het Cbe op dit punt evenwel gewijzigd.