Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/6.3.3
6.3.3 Het sluitstuk van de idealen van 1789: de Loi Lamine Guèye (1946) en de Loi-cadre Defferre (1956)
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181149:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 3.2.2 (‘De tweede Franse koloniale golf en haar gevolgen voor het overzees Gemeenschapsrecht’).
Jane Burbank, Frederick Cooper, ‘Empire, droits et citoyenneté, de 212 à 1946’, Annales. Histoire, Sciences Sociales (63e année), no 3, Empires, 2008, p. 496; Frederick Cooper, Citizenship, Inequality, and Difference. Historical Perspectives, Princeton & Oxford: Princeton University Press 2018, p. 27, 38.
Zie paragraaf 2.2.2 (‘Het Romeinse burgerschap in de Republiek en het Keizerrijk: experimenteren met de uitbreiding van burgerschap’).
Burbank, Cooper 2008, p. 515-516. De Franse Unie had een eigen burgerschap (art. 81 Grondwet van 1946). Dit burgerschap van de Franse Unie was toegekend aan de burgers van alle drie hiervoor genoemde entiteiten die deel uitmaakten van de Franse Unie. Dit burgerschap van de Unie bracht verschillende rechten met zich, zoals het recht van vrije meningsuiting en verenigingsvrijheid. Het kiesrecht voor het vertegenwoordigende orgaan van de Republiek was hiervan uitgesloten; dit kwam alleen toe aan de burgers van de Republiek. De Franse Unie werd in 1958 vervangen door de communauté française, die formeel in 1995 werd afgeschaft (Loi constitutionnelle n° 95-880 du 4 août 1995); P. Lampué, La citoyenneté de l’Union française, Paris: LGDJ 1950. G. Karapetian, ‘Uniformity and Diversity. A Confrontation between French and Dutch Thought on Citizenship’, in: J. Mazzone (red.), Illinois-Bologna series, Brill 2020; Jean-Marc Regnault, ‘Citoyen et/ou sujet des colonies, puis des territoires d’outre-mer: généralités et exemple des possessions françaises de l’Océanie’, in: J.Y. Faberon, Y. Gautier, Identité, nationalité, citoyenneté outre-mer, Centre des Hautes sur l’Afrique et l’Asie Modernes 1999.
Frederick Cooper, Citizenship between Empire and Nation. Remaking France and French Africa, 1945-1960, Princeton & Oxford: Princeton University Press 2014, p. 21.
Burbank, Cooper 2008, p. 516 stellen in dit kader: “La seul choix politique était l’assimilation.” Voor meer over politieke representative van Frans-Afrika in de Assemblée nationale gedurende de Vierde Republiek, zie: Phillipe Guillemin, ‘Les élus d’Afrique noire à l’Assemblée nationale sous la Quatrième République’, Revue francaise de science politique, 8e année, no 4, 1958.
Hubert Deschamps, ‘Les assemblées locales dans les territoires d’outre-mer’, Politique étrangère, no 4, 1954. Zo wordt door Deschamps op p. 429 gesteld: “Il y a une assemblée territoriale par territoire. Ces assemblées sont élues au double collège, […]. Dans le système du double collège, les représentants du deuxième collège sont les citoyens de statut local. Les représentants du premier collège sont les représentants des citoyens de statut métropolitain.”
Loi n° 56-619 du 23 juin 1956 autorisant le gouvernement à mettre en oeuvre les réformes et à prendre les mesures propres à assurer l’évolution des territoires relevant du ministère de la France d’outre-mer.
Zo stelt art. 12 van Titre III van de Loi-cadre Defferre (Dispositions relatives à l’institution du suffrage universel et du collège unique): “L’élection des membres de l’Assemblée nationale, des membres du Conseil de la République, des membres des assemblées territoriales, des membres de l’assemblée représentative et des assemblées provinciales de Madagascar, des conseils de circonscription, ainsi que des membres des assemblées municipales des communes de plein exercice et de moy en exercice et des communes mixtes a lieu au collège unique.” Meer over de Loi-cadre Defferre, zie: Cooper 2014, p. 214 e.v.
Een ander, wellicht minder geschikt, voorbeeld in dit kader betreft het geval van FransPolynesië. Hoewel het burgerschap van Frans-Polynesië formeel niet wordt erkend, verschaft dit burgerschap de Franse ingezetenen van Frans-Polynesië enkele vrijheden ten aanzien van werkgelegenheid en onroerend goed. Dit burgerschap van Frans-Polynesië brengt echter geen electorale rechten met zich. Zie hierover meer: Gaston Flosse, ‘La citoyenneté de pays: l’exemple de la Polynésie française’, in: J.Y. Faberon, Y. Gautier, Identité, nationalité, citoyenneté outré-mer, Centre des Hautes Études sur l’Afrique et l’Asie Modernes 1999.
Zoals uiteengezet in Hoofdstuk III van dit proefschrift hadden de koloniën die veroverd waren in de tweede Franse koloniale golf in beginsel een gereserveerde rechtsverhouding tot de metropool. Hiervoor zijn in Hoofdstuk III twee oorzaken genoemd.1 Ten eerste was de bevolking van die koloniën homogener. De bevolking had enige mate van staat- en natievorming meegemaakt met bijbehorend cultureel gebruik. Ten tweede had gedurende de jaren van de verovering van deze koloniën het (mede)wetgevende orgaan van de metropool weinig zeggenschap ten aanzien van de geldende regelgeving aldaar. De hiervoor genoemde sénatus-consulte van 1854 had bijvoorbeeld enkel betrekking op Réunion, Guadeloupe en Martinique. De mogelijke betrokkenheid van deze gebieden en de ingezetenen aldaar voor wat betreft het Franse burgerschap en de toekenning van het kiesrecht voor het (mede)wetgevende orgaan is derhalve niet te vergelijken met de hiervoor genoemde ontwikkeling van betrokkenheid van de oude koloniën in het constitutionele raamwerk. Relevante jaartallen ten aanzien van de uitbreiding van het Franse burgerschap naar de (oude) TOM zijn 1946 en 1956. Op 25 april 1946 werd een wet aangenomen door de Assemblée nationale, de Loi du 7 mai 1946, die ook wel bekend is onder de naam van de indiener Lamine Guèye. De enige bepaling van deze wet luidde:
“À partir du 1er juin 1946, tous les ressortissants des territoires d’outre-mer (Algérie comprise) ont la qualité de citoyen, au même titre que les nationaux français de la métropole et des territoires d’outre-mer. Des lois particulières établiront les conditions dans lesquelles ils exerceront leurs droits de citoyens.”
Deze uitbreiding van het Franse burgerschap naar de TOM is in de parlementaire behandeling van deze wet vergeleken met het in Hoofdstuk II aan bod gekomen Edict van Caracalla van 212.2 De zogenoemde Constitutio Antoniniana hield in dat aan alle vrije burgers van het Romeinse Keizerrijk het volwaardige Romeinse burgerschap werd toegekend.3 Het is omstreden om welke redenen deze uitbreiding van het Romeinse burgerschap naar vrije burgers in het keizerrijk plaatsvond. Zo is gesteld dat keizer Caracalla deze maatregel heeft genomen om de militaire diensten voor de stad te versterken. Ook het ‘romaniseren’ van de gebieden waar deze vrije burgers verbleven, wordt gezien als een reden die heeft geleid tot de uitbreiding van het Romeinse burgerschap naar de vrije burgers.
De reden voor de uitbreiding van het Franse burgerschap naar de TOM hangt nauw samen met de staatkundige indeling van de Union française. Enkele maanden na de uitvaardiging van de Wet van 7 mei 1946 werd tegelijk met de vierde Franse Republiek de Union française opgericht, die het oude koloniale stelsel beoogde te vervangen. De Franse Unie bestond uit verschillende entiteiten:
De Franse Republiek, bestaande uit:
de metropool, verdeeld in departementen;
de départements d’outre-mer (DOM);
de territoires d’outre-mer (TOM);
De territoires associés, zoals Togo en Kameroen;
De états associés, zoals Marokko en Frans-Indochina.4
In 1946 werd Algerije als onderdeel beschouwd van de metropool. Niettemin had enkel het niet-islamitische deel van de bevolking het Franse burgerschap.5 Art. 4 van l’ordonnance du 7 mars 1944 relative au statut des Français musulmans d’Algérie beloofde dit burgerschap uit te breiden en luidde als volgt: “Les autres Français musulmans sont appelé à recevoir la nationalité française. L’Assemblée nationale constituante fixera les conditions et les modalités de cette accession.” Dit voornemen om het burgerschap uit te breiden naar de islamitische bevolking van Algerije zou tot gevolg hebben dat alleen de burgers van de TOM, hoewel onderdeel van de Franse Republiek, niet het burgerschap zouden bezitten. Anders dan bijvoorbeeld de geassocieerde territoria, maakten de TOM namelijk wel deel uit van de Franse Republiek. Om deze reden werd het in 1946 noodzakelijk geacht om ook tussen de personen van deze territoria en de Republiek een rechtsverhouding te creëren door middel van het verschaffen van het Franse burgerschap.6 Hoewel het Franse burgerschap aldus was uitgebreid naar de TOM, gold ten aanzien van de verkiezing van de Assemblée nationale wel dat deze indirect plaatsgreep door middel van de Franse burgers van de TOM. Het zogenoemde système du double collège maakte dit mogelijk.7 Het is de Loi du 23 juin 1956, de zogenoemde Loi-cadre Defferre,8 genoemd naar de indiener, geweest die dit système du double collège heeft afgeschaft en het kiesrecht van de leden van de Assemblée nationale van de Franse burgers in de TOM in beginsel gelijk heeft gesteld aan dat van de metropool en de DOM.9
Gezien deze ontwikkelingen in de jaren 1946-1956 is de positie van Frankrijk bij de totstandkoming van het EEG-Verdrag ten aanzien van de betrokkenheid van de overzeese gebieden begrijpelijk. In paragraaf 3.2.2 van hoofdstuk III (‘De tweede Franse koloniale golf en haar gevolgen voor het overzees Gemeenschapsrecht’) is uiteengezet dat het Frankrijk bij de totstandkoming van het EEG- Verdrag het ultimatum stelde dat de overzeese gebieden van (in ieder geval) Frankrijk zouden worden geïncorporeerd in het EEG-raamwerk. De Franse participatie bij het EEG-Verdrag zou in het andere geval sterk worden geconditioneerd. Gezien de nationale ontwikkelingen waarbij in 1946 het Franse burgerschap werd uitgebreid naar de burgers van de TOM en in 1956 het zogenoemde système du double collège ten aanzien van het kiesrecht van de leden van de Assemblée nationale werd afgeschaft, zou het bevreemden indien de metropool had ingestemd met het EEG-Verdrag zonder de participatie van deze overzeese gebieden in dit EEG-raamwerk te garanderen. Deze gebieden (het ene gebied meer dan het andere) werden immers stapsgewijs opgenomen in het constitutionele bestel van de Republiek.
In de volgende paragraaf wordt stilgestaan bij de eilandengroep Nieuw- Caledonië die voorheen een TOM was en thans een sui generis-status heeft. De constitutionele vormgeving van deze eilandengroep in de Franse metropool illustreert op een treffende wijze welke principes de Franse wetgever ten aanzien van burgerschap volgt bij het verschaffen van autonomie aan een bepaald onderdeel van de Republiek.10 Het geval van Nieuw-Caledonië, in het bijzonder de inkleding van het burgerschap van de eilandengroep, maakt inzichtelijk dat differentiatie in lokaal burgerschap gepaard kan gaan met het behoud van uniformiteit van in ieder geval de electorale rechten die zijn gekoppeld aan het Franse burgerschap.