De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/7.4.1:7.4.1 De leerling en de leraar met autonomie; professionele standaard en recht op een tweede corrector
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/7.4.1
7.4.1 De leerling en de leraar met autonomie; professionele standaard en recht op een tweede corrector
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949338:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De leerling (of zijn ouders) kiest bewust voor een bepaalde school of opleiding en gaat een rechtsverhouding aan met het bevoegd gezag, waaruit voortvloeit dat hij onderwijs ontvangt en dat hij moet voldoen aan de eisen die aan hem als leerling worden gesteld. Naast deze formele verhouding met het bevoegd gezag, wordt het onderwijs dat de leerling ontvangt misschien wel in grotere mate beïnvloed door de leraar die toevalligerwijs aan de klas van de leerling is toegewezen. Een leraar met bijvoorbeeld veel ervaring, die een klik heeft met de leerling, oog heeft voor zijn ondersteuningsbehoefte en die hem kan inspireren, zal betere resultaten boeken met de leerling, dan een leraar die de betreffende leerling niet begrijpt of niet kan motiveren. De onderwijsresultaten van de leerling zijn dan ook mede afhankelijk van de verhouding tussen de leerling en de leraar. Die verhouding vult de leraar in belangrijke mate in met zijn autonomie. Vanuit zijn deskundigheid zal de leraar immers proberen het onderwijs toe te snijden op de betreffende leerling. De leerling en zijn ouders hebben hier weinig grip op, tussen hen en de leraar bestaat dan ook een grote mate van afhankelijkheid. Zij moeten met andere woorden vertrouwen op de deskundigheid van de leraar.
Vertrouwen in de leraar is een belangrijke pijler onder het onderwijs. Het behouden van dat vertrouwen vraagt steeds meer van de leraar, nu leerlingen en ouders mondiger worden en zij vaker de gang naar interne beroepsinstanties en de rechter weten te vinden. Anderzijds zijn er maar beperkte stappen gezet om transparanter invulling te geven aan de autonomie van de leraar en wordt maar beperkt geborgd dat de leraar zijn deskundigheid onderhoudt. Zoals in de vierde aanbeveling nader wordt toegelicht, kan een professionele standaard bijdragen aan het versterken van het vertrouwen in de leraar. Hiermee wordt namelijk duidelijker waar de leraar voor staat en wat er van hem verwacht mag worden. In een uiterst geval kan de leraar er zelfs op aangesproken worden als hij zijn standaard niet naleeft.
De afhankelijkheid van de leerling van de autonomie van de leraar is het grootst bij het vaststellen van de uitslag van toetsen en examens. De leraar heeft hierbij vaak in meer of mindere mate beoordelingsruimte, waar de rechter nauwelijks in kan treden. De leerling wordt dan ook gebonden aan het oordeel van de leraar zonder dat hij hier effectief tegen op kan komen, terwijl de gevolgen van de vaststelling van de uitslag van het examen bepalend kunnen zijn voor het volgen van de gewenste vervolgopleiding of het kunnen uitoefenen van een bepaald beroep. De leraar heeft deze autonomie omdat hij vanuit zijn deskundigheid (vakkennis, kennis van de onderwijsdoelen en kennis van de leerling) het beste de (in meer of mindere mate subjectieve) inschatting kan maken hoe het examen beoordeeld moet worden. Ook de vakdeskundige leraar is evenwel niet onfeilbaar, daarom zou het uit oogpunt van zorgvuldigheid, gezien het belang van het examen, goed zijn als de leraar samen met een andere vakdeskundige leraar het examen beoordeelt. Voor de centrale examens in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs is dit reeds geborgd doordat een leraar van een andere school de examens mede beoordeelt. Een dergelijk recht op een tweede corrector bestaat niet in bijvoorbeeld het hoger onderwijs of ten aanzien van de school- en instellingsexamens in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Een tweede corrector draagt evenwel bij aan het tegengaan van fouten, het vergroten van de objectiviteit van de beoordeling en het vertrouwen in de kwaliteit van de beoordeling. Het is dan ook aan te bevelen dat de wetgever of de verschillende examencommissies bepalen dat in elk geval, of in ieder geval op verzoek van de leerling, een tweede corrector het examen beoordeelt en dat de twee correctoren gezamenlijk de uitslag vaststellen. Dit geldt in het bijzonder voor examens of tentamens die een relatief groot deel van de onderwijstijd beslaan, zoals het profielwerkstuk in het voortgezet onderwijs, de stagebeoordeling in het middelbaar beroepsonderwijs en de beoordeling van de scriptie in het hoger onderwijs.