Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.4
3.4 SER-advies en aanscherping referte-eisen WW in 2006
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258981:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29738. De wet is op 1 april 2006 in werking getreden (Stb. 2006,168). Zie Besluit van 30 maart 2006 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 30 maart 2006 tot wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met aanscherping van de wekeneis (Stb. 2006, 167)
De wet wijziging WW-stelsel is in de Kamerstukken 2005/06, 30370 behandeld. Het grootste deel van de Wet trad in werking met ingang van 1 oktober 2006. Dit betrof met name de wijziging van de polisvoorwaarden (recht, hoogte en duur) in de Werkloosheidswet, de wijziging van de verwijtbaarheidstoets en de inwerkingtreding van enige dereguleringsvoorstellen zoals de wijziging van hoofdstuk IV van de WW (Stb. 2006, 304).
Verslag Raadsvergadering Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 16: uit de rede van SER-lid, mevrouw Westerbeek.
Verslag Raadsvergadering Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 16.
Verslag Raadsvergadering Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 18.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 7-8.
SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 7-8.
Verslag Raadsvergadering Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet 2005, p. 18.
In 2006, ruim 11 jaar na de laatste wijziging in 1995, werd er weer aan de referte-eisen gesleuteld om de toename van het beroep op de WW tegen te gaan. De noodzaak daartoe werd gevoeld omdat sinds 2002 de werkloosheid weer steeg en binnen vijf jaar zonder nader beleid, zo voorspelde het kabinet, het aantal WW-uitkeringsjaren zou verdubbelen tot ruim 300.000 uitkeringen.1 Het kabinet had in 2003 al een wetsvoorstel ingediend om dit tegen te gaan, maar na jaren van discussie en nota’s van wijzigingen zijn uiteindelijk twee belangrijke wijzigingen, de verscherpte wekeneis en afschaffing van de kortdurende uitkering, pas in 2006 ingevoerd. Uiteindelijk is de Wet tot aanscherping van de referte-eisen WW2 tegelijkertijd met de Wet wijziging WW-stelsel3 (paragraaf 2.7) behandeld en zijn beide wetten in 2006 ingevoerd. De lijn die was ingezet met de afschaffing van de vervolguitkering4 in 2003 werd volgens het kabinet doorgezet door een verdere versobering van de WW.
Voorafgaand aan de wijziging in 2006 heeft het kabinet een adviesaanvraag aan de SER gedaan in de vorm van een notitie, Toekomstverkenning WW. De centrale vraag was of de WW toekomstbestendig was in termen van financierbaarheid en legitimiteit en, in het verlengde daarvan, de vraag of de WW voldoende was toegesneden op actuele trends en toekomstige langetermijnontwikkelingen.
De achtergrond van het advies, zo blijkt uit het verslag van de raadsvergadering van de SER, is als volgt. In 2004 waren er massale protesten op het Museumplein in Amsterdam tegen de voorgenomen bezuinigingen van het kabinet geweest. De protesten betroffen niet alleen de bezuiniging op de WW, maar ook het moment ervan: een periode van laagconjunctuur waardoor velen van de WW afhankelijk waren. De protesteerders stelden vragen: ‘waarom ingrijpen in de WW, juist nu het slecht gaat met de economie? Juist nu velen de WW hard nodig hebben? Niet omdat ze dat graag willen, maar omdat ze helaas geen werk kunnen vinden.’ Het kabinet had geen antwoord op deze vragen, maar vond wel dat er een noodzaak was om te bezuinigen. Daarom wilde het kabinet de kortdurende uitkering afschaffen en de referte-eis aanscherpen naar 39-uit-52-weken.5
Uit het raadsverslag bij het advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet blijkt dat een aantal SER-leden de kabinetsplannen met betrekking tot de bezuiniging niet begrepen. Dat betrof vooral het feit dat de voorstellen van het kabinet zouden leiden tot een flinke sociale onzekerheid vooral voor jongeren, flexwerkers en herintreders. De afschaffing van de vervolguitkering van de ene op de andere dag in 2003 zonder overleg was daarbij nog oud zeer. WW’ers kwamen hierdoor namelijk eerder in de bijstand terecht.6 De bezuinigingen waren volgens het kabinet noodzakelijk en dat zag de SER ook in. De SER is met een naar zijn mening beter alternatief gekomen voor de referte-eis, die ook een bezuiniging opleverde, te weten een 26-uit-36-wekeneis in plaats van het eerder door het kabinet voorgestelde 39-uit-52-wekeneis. Met de 26-gewerkte-wekeneis zouden de halfjaarscontracten niet buiten boord vallen.7
Op 15 april 2005 stelde de SER het advies Toekomstbestendigheid Werkloosheidswet vast.8 Met betrekking tot de referte-eis stelde de Raad voor dat een werknemer in 26 weken (met ten minste 5 arbeidsuren per week) arbeid moest hebben verricht tijdens de periode van 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid voor toegang tot de WW. Dit zou voor alle sectoren gelden.9 Voor musici en artiesten stelde de Raad voor de toen geldende wekeneis (16 uit 39 weken) te handhaven, vooruitlopend op een structurele oplossing van beroepsproblemen van deze beroepsgroepen. De Raad was van mening dat werknemers op basis van een relatief soepele (inhoudelijke) toetredingstoets in aanmerking moesten komen voor een WW-uitkering. De toets van verwijtbare werkloosheid zou beperkt moeten worden tot de gevallen waarin de werknemer zelf ontslag neemt of vanwege een dringende reden op staande voet is ontslagen, of de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden is ontbonden (zie hoofdstuk 6). Daarnaast stelt de Raad voor dat werknemers die alleen voldoen aan de nieuwe wekeneis van 26 uit 36 weken voor een basisuitkering van drie maanden in aanmerking komen. In de eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75 procent en daarna 70 procent van het laatstverdiende loon tot het maximumdagloon. Dit was volgens de Raad in de kern een wezenlijke verandering van het WW-regime, omdat een relatief hoge, maar kortere, uitkering bij aanvang van de werkloosheid wordt voorgesteld. Die uitkering zou volledig loongerelateerd zijn, maar wel korter dan de huidige maximale duur van zes maanden van een basisuitkering. De eerder in april 2006 afgeschafte kortdurende uitkering zou dan geïntegreerd worden in de loongerelateerde uitkering. De groep werklozen die door de afschaffing van de kortdurende uitkering zwaar zou worden getroffen, namelijk de werknemers met een kort arbeidsverleden (starters en herintreders) of met een flexibel arbeidspatroon, behielden hun toegang tot de WW.10 Het kabinet had toegezegd het SER-advies over te nemen als dit unaniem zou zijn.11
3.4.1 Aanpassing van de referte-eis in 2006: afschaffing van de kortdurende uitkering en aanscherping van de wekeneis3.4.2 Besluit verlaagde wekeneis