Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/2.4.6:2.4.6 Agrarische waarde
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/2.4.6
2.4.6 Agrarische waarde
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS346757:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
P.H.F. Remie, Heeft melkquotum waarde voor een agrarische onderneming?, Weekblad 1993/ 6046, blz. 338-345.
HR 2 januari 1992, nr. 27 092, BNB 1992/117.
P.H.F. Remie, Het melkquotum als (fiscaal) waardeloos vermogensbestanddeel, Weekblad 1990/ 5918, blz. 850-864.
Weekblad 1993/6046, blz. 340.
HR 2 januari 1992, nr. 27 092, BNB 1992/117.
HR 18 oktober 1995, nr. 30 642, BNB 1996/50, FED 1995/864 met noot van G.H.J. Tuinte.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een bijzonder fenomeen doet zich voor in de agrarische sector: waardering op de agrarische waarde, dat wil zeggen de waarde die een nog net lonende exploitatie mogelijk maakt. Allereerst een uiteenzetting aangaande de relatie van dit waardebegrip tot de vermogensbelasting, vervolgens wordt de inkomstenbelasting behandeld.
Vermogensbelasting
Om de verwarring wellicht nog groter te maken over de diverse waardebegrippen, maar ook om onderlinge verbanden aan te tonen is een uiteenzetting van Remie1 een goed voorbeeld. Hij brengt in een verhandeling over de waardering van het melkquotum voor de vermogensbelasting de begrippen waarde in het economische verkeer, bedrijfswaarde en agrarische waarde op één noemer. De Hoge Raad heeft namelijk op 2 januari 19922 geoordeeld dat een aangekocht melkquotum voor de vermogensbelasting niet lager dan de boekwaarde gewaardeerd mag worden.
Daartegen verzet Remie zich en meent dat voor de vermogensbelasting het melkquotum onder omstandigheden beneden de boekwaarde kan worden gewaardeerd. Allereerst schetst hij de algemene waardeproblematiek in de agrarische sector en geeft aan dat de rentabiliteit van deze sector matig tot slecht is, mede door toedoen van het toenemend aantal maatregelen van de overheid op milieugebied. Zodra echter het continuïteitsuitgangspunt zou worden losgelaten, zou het bedrijf voor zeer forse prijzen kunnen worden verkocht. (Denk bijvoorbeeld aan landbouwgrond die als bouwgrond voor woningbouw wordt verkocht.)
Laat ons nu even stilstaan bij het bewuste arrest en bij de door belanghebbende in de procedure gehanteerde argumenten. Deze betoogde voor de Hoge Raad dat voor de vermogensbelasting aan een tot een ondernemingsvermogen toebehorend vermogensbestanddeel slechts waarde in het economische verkeer kan worden toegekend, voor zover deze (ook bij voortzetting van de exploitatie van de onderneming) door de ondernemer zelf kan worden gerealiseerd. Deze opvatting wordt door de Hoge Raad afgewezen waarbij hij overweegt:
Een dergelijke benadering van het begrip waarde in het economische verkeer vloeit niet voort uit de complexbenadering van art. 9, derde lid Wet VB 1964.
Met de waarde in het economische verkeer is blijkens de wetsgeschiedenis een objectieve waarde bedoeld.
`Voor tot het ondernemingsvermogen behorende vermogensbestanddelen, zoals het onderhavige melkquotum, betekent dit dat het gaat om de waarde die bij vervreemding van de gehele onderneming aan dat vermogensbestanddeel zou worden toegekend door een verkrijger die de onderneming zou voortzetten.'
De opvatting van belanghebbende vindt geen steun in het recht.
Al eerder heeft Remie3 betoogd dat aan het melkquotum voor de vermogensbelasting geen waarde dient te worden toegekend aangezien de agrarische waarde van een dergelijk quotum nihil zou zijn. Alhoewel het lijkt dat hij door het onderhavige arrest in het ongelijk gesteld is, is hij daarvan toch nog niet overtuigd. Naar zijn mening is voor het oordeel van de Hoge Raad doorslaggevend geweest dat belanghebbende procestechnisch niet al te best heeft geopereerd.
Remie stelt4 dat door bovengenoemd arrest de complexbenadering van art. 9, derde lid Wet VB 1965 zijn zelfstandige betekenis heeft verloren. Dit vloeit voort uit het algemene uitgangspunt voor de vermogensbelasting van waarderen naar de waarde in het economische verkeer en daarmee is het desbetreffende artikellid volgens hem overbodig. Hij betoogt: 'Het staat thans buiten kijf dat eerst de waarde van de onderneming in zijn geheel zal dienen te worden bepaald, en vervolgens pas een verdeling van die waarde over de afzonderlijke vermogensbestanddelen plaats zal dienen te vinden. Dit brengt tevens met zich mee dat procedures die zich concentreren op de waardering van één vermogensbestanddeel, waarbij het erom gaat dit lager gewaardeerd te krijgen dan de waarde van dat bestanddeel op zichzelf, tot mislukking gedoemd zijn, indien daarbij niet tevens komt vast te staan wat de waarde van het totaal is.'
Daarbij gaat het Remie om de waarde die bij vervreemding van de gehele onderneming door een verkrijger (die de onderneming zou voortzetten) aan dat vermogensbestanddeel zou worden toegekend. Vervolgens ontstaat het probleem met welke zakelijke transacties er bij de waardering van het melkquotum vergeleken moet worden. Remie gaat uit van voortzetting van de onderneming in de bestaande vorm en laat daarbij de voortzetting als onderdeel van een groter geheel (met de daaraan verbonden `economy of scale') buiten beschouwing. Ook prijsvorming door transacties in losse percelen valt af. Uiteindelijk resteren volgens Remie op jaarbasis enkele tientallen kopers die ten gevolge van onteigening of liquidatie van hun oude bedrijf in staat zijn hun bedrijf bovenmatig met eigen vermogen te financieren. Wordt er vervolgens rekening gehouden met redelijke financieringsverplichtingen (bijvoorbeeld het gemiddelde van de branche) dan komt Remie grosso modo weer uit op de waarde van de grond in verpachte staat en voor het melkquotum op nihil
Hij besluit: 'De uitvoeringspraktijk zou zeer gediend zijn met een resolutie van de staatssecretaris waarin het begrip bedrijfswaarde in de agrarische sector handen en voeten gegeven wordt.'
Anders dan Remie kan dezerzijds volledig worden ingestemd met het arrest van de Hoge Raad van 2 januari 19925. Allereerst valt op dat de overweging van ons hoogste rechtscollege onder 2. sterk tendeert naar het begrip bedrijfswaarde. Vervolgens dient te worden opgemerkt dat — uitgaande van de verkoop van de gehele onderneming — het belanghebbende is die aannemelijk dient te maken dat het melkquotum minder dan de boekwaarde opbrengt. Voor deze quota bestaat een levendige markt met prijsvorming waardoor de stelling van belanghebbende moeilijk te bewijzen is. Resteert overigens wel de omstandigheid dat er ten aanzien van agrarische ondernemingen weinig derdentransacties aangaande verkoop van gehele ondernemingen plaatsvinden. Door de lage rentabiliteit in deze sector zijn deze bijna niet te financieren. De meeste transacties vinden plaats in familieverband waarbij sprake is van een onevenredig groot aandeel eigen vermogen ten opzichte van de totale financieringsbehoefte.
Inkomstenbelasting
Het begrip agrarische waarde is niet alleen van grote betekenis voor de vermogens- maar ook voor de inkomstenbelasting. In dit verband dient aandacht te worden besteed aan een arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 1995 inzake een geruisloze inbreng ex art. 18 Wet IB 19646.
Casus
In een besloten vennootschap wordt een veehouderij ingebracht die uit een melkquotum van 566 657 kg, gebouwen, een veestapel en omstreeks 45 ha eigen grond (weiland) bestaat. In geding is de inbrengwaarde van de grond welke door belanghebbende wordt gesteld op de vrije waarde van landbouwgrond zijnde f 1 337 000 (ofwel ca. f 29 700 per ha). De inspecteur daarentegen komt op een bedrag ad f 668 898 uit, zijnde de lagere zogenaamde verpachte of agrarische waarde. De inspecteur geeft aan dat volgens hem de onderneming een onderrentabiliteit heeft waardoor de waarde van de onderneming als geheel beduidend lager is dan bij verkoop in onderdelen. Hij stelt: 'Enerzijds is er een kleine deelmarkt waarop bedrijven in onderdelen verkocht worden aan de hoogste bieder. Deze bieder is vaak een boer die duur is uitgekocht in een uitbreidingsgebied en zoveel vermogen heeft dat hij niet op onderrentabiliteit hoeft te letten, en/of het aangekochte bij zijn bedrijf voegt.
Anderzijds is er de grote deelmarkt van overdrachten binnen de familiesfeer die op basis van redelijke financiële bestaansgronden op zakelijke basis veelal tegen waarde verpacht of agrarische waarde een geheel bedrijf of een zelfstandig gedeelte daarvan overnemen'.
Naar de mening van de inspecteur behoort beoordeling van de waarde van de landerijen plaats te vinden op basis van deze laatste deelmarkt nu de onderneming niet is aangeboden aan de kleine 'openbare' deelmarkt. Het is volgens hem ook nimmer de bedoeling van belanghebbende geweest om aan deze deelmarkt te verkopen aangezien de overdracht niet in delen maar als zelfstandig geheel plaatsvond aan de BV (waarvan belanghebbende volledig eigenaar is).
De inspecteur wordt zowel door Hof Leeuwarden als de Hoge Raad in het ongelijk gesteld. Volgens Hof Leeuwarden is bij de door de inspecteur aangehaalde deelmarkt sprake van onzakelijke prijsstelling in de familiesfeer zodat deze overdrachtprijzen niet de waarde in het economische verkeer vertegenwoordigen. Het Hof stelt verder dat het argument van onderrentabiliteit er niet aan in de weg staat dat in de praktijk de vrije agrarische waarde voor dergelijke landerijen betaald wordt. De Hoge Raad neemt het oordeel van Hof Leeuwarden over.
Tot zover de behandeling van de casus. Op het oordeel van beide rechtscolleges kan echter gerechtvaardigde kritiek worden geleverd:
Wanneer voor de vermogensbelasting bij waardering van landerijen sprake is van de waarde in verpachte staat (zijnde 50% tot 60% van de vrije agrarische waarde) en bij een geruisloze inbreng voor de inkomstenbelasting een vrije agrarische waarde wordt gehanteerd, ontstaat er een opmerkelijke incongruentie.
Kijken we naar de realiteit dan zien we dat in de gehele landbouwsector sprake is van een aanzienlijke onderrentabiliteit. Een overdracht van een landbouwbedrijf als geheel is — gezien deze onderrentabiliteit — zonder een aanzienlijk bedrag aan eigen middelen niet financierbaar.
Overdrachten van gehele landbouwondernemingen komen in Nederland dan ook nagenoeg niet voor. Dergelijke overdrachten vinden vrijwel uitsluitend in de familiesfeer plaats waarbij de prijzen op een niveau worden gehouden die een levensvatbare exploitatie voor de overnemer /familielid mogelijk moeten maken. Ontbreekt er bij een landbouwonderneming een opvolger in de familiesfeer dan volgt veelal opsplitsing van het bedrijf waarbij bijvoorbeeld boerderij, melkquotum en weilanden in diverse kavels aan verschillende gegadigden worden verkocht. De dan gerealiseerde opbrengsten liggen meestal beduidend hoger dan verkoop van de agrarische onderneming als geheel binnen de familiesfeer.
Nu een gehele landbouwonderneming (geruisloos) in een besloten vennootschap wordt ingebracht (en de bedrijfsuitoefening door het lichaam wordt voortgezet) dient uitsluitend vergeleken te worden met de markt van overdrachten van gehele agrarische ondernemingen binnen de familiesfeer. Alsdan moet de waarde in verpachte staat voor weilanden maatgevend zijn en niet de vrije agrarische waarde.