Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.3
4.3 Voorwaardelijkheid van de titel
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401121:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vriesendorp 1985a, p. 24 e.v., Bordes 1985, p. 667, Brahn 1992a, p. 43, Brahn 1992b, p. 26, Kortmann 1992, p. 209, Reehuis 1998, p. 7-8, Wichers 2002, p. 276, Scheltema 2003, p. 316, Reehuis 2010, nr. 93 en nr. 102, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 121 en nr. 963 en Abendroth 2013, p. 320-321. Door Verstijlen 2007, p. 825 wordt ook aangeknoopt bij de titel, maar hij gaat uit van een meerledige verbintenis met zowel voorwaardelijk als onvoorwaardelijke componenten (waarover aanstonds in de hoofdtekst). In die zin thans ook Reehuis 2013, nr. 18. Een aantal auteurs noemt de constructie door middel van een voorwaardelijke titel naast andere constructies. Zo bijv. Rank-Berenschot 1992, p. 228-230, Hartkamp 2005, p. 111, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 489 en Hijma & Olthof 2014, p. 96.
Zie bijv. T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 318, V.C. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1235 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 145.
T.M., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 152-153 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 814.
Mezas 1985, p. 3, voetnoot 10, Faber 1997, p. 212-213, Van Swaaij 2000, p. 129-131 en p. 136-139, Peter 2007, p. 138, Faber 2007, p. 39, Rongen 2014, p. 304 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 522. Vgl. ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 238. Zie ook m.b.t. de overdracht onder tijdsbepaling M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 320, waarover hierna in voetnoot 21.
Van Swaaij 2000, p. 130-131, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 218, Peter 2007, p. 137, Verstijlen 2007, p. 825, Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 20b, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 238, Stolz 2015, p. 988 (m.b.t. de onjuiste volgorde van totstandkoming van de vereisten van overdracht) en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 522. Vgl. ook Scheltema 2003, p. 316 die art. 3:84 lid 4 BW als correctiemechanisme beschouwt, in die zin dat art. 3:84 lid 4 BW aan de verbintenis onder opschortende voorwaarde alsnog de benodigde werking verschaft om terstond een overdracht te bewerkstelligen. In die zin ook Vriesendorp 1985a, p. 30.
Van Swaaij 2000, p. 129-139, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 218, Peter 2007, p. 137, Asser/ Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 20b (in Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 20b komt de desbetreffende passage niet meer voor, maar lijkt de levering ter uitvoering van een verbintenis onder opschortende voorwaarde nog steeds niet voor mogelijk te worden gehouden), Asser/Bartels & Van Mierlo3-IV 2013, nr. 238 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 522.
Frotz 1970, p. 129, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 375, Rummel/Spielbüchler 2000, § 424 ABGB, Rn. 5, Rummel/Rummel 2000, § 897 ABGB, Rn. 4, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 25, Koziol & Welser/Kleteoka 2014, p. 355 en p. 455 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 18. Zie uit de rechtspraak OGH 11 november 1986, zaaknr. 5Ob324/86, OGH 11 februari 1997, zaaknr. 5Ob18/97a, OGH 24 april 2003, zaaknr. 6Ob306/02x, OGH 25 februari 2004, zaaknr. 3Ob66/03g en OGH 11 oktober 2012, zaaknr. 2Ob188/11b. Zie daartegen inmiddels Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 53: ‘Gerade im österreichischen Zivilrecht liegt daher die Annahme eines teilbedingten Verpflichtungsgeschäfts mit dadurch automatisch aufgeschobener Verfügung viel näher als die Annahme einer Abrede der Parteien nur in Bezug auf ein (dem ABGB ohnehin fremdes) bedingtes Verfügungsgeschäft.’ Zie over haar afwijkende opvatting nog hierna in voetnoot 35.
Zo bijv. Klang/Gschnitzer 1968, § 900 ABGB, p. 321 en Rummel/Spielbüchler 2000, § 424 ABGB, Rn. 5.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 375 en p. 456 en Schroditsch 2008, p. 135.
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 375, Bollenberger 1995a, p. 67-68 en Schroditsch 2008, p. 135.
In de eerste plaats wordt aangenomen dat de voorwaardelijkheid van de overdracht een gevolg is van het feit dat de verbintenis die de titel voor overdracht vormt, voorwaardelijk is.1 Doordat de verbintenis tot overdracht voorwaardelijk is, is de werking van de titel opgeschort tot het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat (vgl. art. 6:22 BW). Het komt mij voor dat de constructie van het eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde inderdaad het best kan worden verklaard aan de hand van een aan de verbintenis tot overdracht verbonden opschortende voorwaarde. Het heeft er bovendien alle schijn van dat het ook de constructie is die de wetgever voor ogen heeft gestaan.
Artikel 3:84 lid 4 BW spreekt uitdrukkelijk van de mogelijkheid om ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis te leveren, als gevolg waarvan vooralsnog slechts een recht wordt verkregen dat aan dezelfde voorwaarde als de verbintenis is onderworpen. Ook in de parlementaire geschiedenis komt meermaals de mogelijkheid van een voorwaardelijke overdracht als uitvloeisel van een voorwaardelijke titel aan de orde.2 Bovendien wordt het in dezelfde parlementaire geschiedenis uitdrukkelijk voor mogelijk gehouden dat reeds vóór vervulling van de voorwaarde ter uitvoering van een verbintenis onder opschortende voorwaarde een overdracht wordt gerealiseerd.3
Volgens een aanzienlijk aantal auteurs laat zich de overdracht onder opschortende voorwaarde echter niet door middel van een voorwaardelijke titel construeren. Sommigen onderbouwen dit standpunt met het argument dat het verbinden van een voorwaarde aan de verbintenis tot overdracht tot gevolg heeft dat de verplichting tot overdracht pas ontstaat op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, zodat de verkoper gedurende de periode van onzekerheid nog tot niets verplicht is.4 Anderen leggen de nadruk op het feit dat het niet mogelijk is om te leveren ter uitvoering van een opschortend voorwaardelijke titel. Omdat een opschortend voorwaardelijke titel nog geen werking heeft, zou er nog niet kunnen worden geleverd ter uitvoering van die titel, zodat de levering niet zou zijn geschied krachtens een geldige titel.5 In deze benadering is artikel 3:84 lid 4 BW slechts geschreven voor de overdracht onder ontbindende voorwaarde, omdat alleen de verbintenis onder ontbindende voorwaarde gedurende de periode van onzekerheid een rechtsgrond voor overdracht oplevert.6 Wat betreft de onmogelijkheid om gedurende de periode van onzekerheid te presteren bij een verbintenis onder opschortende voorwaarde wordt bovendien geregeld gewezen op artikel 6:25 BW, dat bepaalt dat een prestatie die krachtens een verbintenis onder opschortende voorwaarde is verschuldigd, overeenkomstig de regels met betrekking tot onverschuldigde betaling kan worden teruggevorderd, indien zij voor vervulling van de voorwaarde is verricht.
In de Oostenrijkse literatuur worden vergelijkbare bezwaren genoemd. Hoewel het Oostenrijkse recht uitgaat van een causaal stelsel van overdracht, wordt het eigendomsvoorbehoud vrijwel unaniem en veelal zonder enige onderbouwing verklaard aan de hand van een opschortende voorwaarde die is verbonden aan de goederenrechtelijke overeenkomst (de op overdracht gerichte wilsovereenstemming).7 Het lijkt erop dat ervan wordt uitgegaan dat de aan de titel verbonden voorwaarde zou verhinderen dat direct een overdracht wordt gerealiseerd, omdat de opgeschorte werking van de titel tot gevolg zou hebben dat de verkoper pas verplicht zou zijn om de eigendom over te dragen op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.8 Met andere woorden: tot die tijd zou de verkoper niet eens verplicht zijn de zaak te leveren. Andere auteurs lijken zelfs aan te nemen dat de voorwaardelijkheid van de titel tot gevolg zou hebben dat de gehele koopovereenkomst voorwaardelijk zou zijn, waardoor ook de koper gedurende de periode van onzekerheid tot niets verplicht zou zijn.9 Aangezien dat niet de bedoeling is van het eigendomsvoorbehoud, verklaart men de constructie door middel van een voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst. Sterker nog: het eigendomsvoorbehoud wordt door sommigen gezien als hÉt bewijs dat de goederenrechtelijke overeenkomst in het Oostenrijkse recht een vereiste voor overdracht vormt, omdat een voorwaardelijke beschikking bij gebreke van dit vereiste niet mogelijk zou zijn.10
Deze bezwaren tegen de voorwaardelijkheid van de titel vermogen echter niet te overtuigen. Zij worden hierna achtereenvolgens besproken.
4.3.1 De opgeschorte werking van een voorwaardelijke titel als obstakel4.3.2 De onmogelijkheid om voor vervulling van de voorwaarde te presteren