Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.1:4.1 Inleiding
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399680:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 is gebleken dat het eigendomsvoorbehoud in belangrijke mate ook een middel is dat de koper bescherming biedt. Niet alleen wordt aan de koper in afwijking van de regel van artikel 7:26 lid 2 BW reeds de macht over de zaak verschaft, alvorens hij de verschuldigde prestatie voldoet, ook bewerkstelligt de constructie van het eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde dat gewaarborgd is dat voldoening van de verschuldigde tegenprestatie ook zonder meer tot gevolg heeft dat de koper eigenaar wordt. Als het uitsluitend zou aankomen op de belangen van de verkoper, zou het afdoende zijn om het eigendomsvoorbehoud aldus te begrijpen dat de zaak weliswaar aan de koper wordt overhandigd, maar de levering en de overdracht desalniettemin wordt uitgesteld tot het moment dat de koper de verschuldigde tegenprestatie voldoet. De meerwaarde van variant van het eigendomsvoorbehoud in artikel 3:92 lid 1 BW is dat het eigendomsvoorbehoud aldus ook de belangen van de koper veiligstelt.
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal op welke wijze deze constructie van het eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde binnen het stelsel van overdracht kan worden verklaard. Daarbij passeren de verschillende opvattingen in de literatuur de revue. Achtereenvolgens wordt aandacht besteed aan de voorwaardelijkheid van de titel (paragraaf 4.3), de voorwaardelijkheid van de levering (paragraaf 4.4) of de (enkele) voorwaardelijkheid van de overdracht zelf (paragraaf 4.5). Vervolgens wordt toegespitst op de bijzondere leveringsbepaling bij een overdracht onder opschortende voorwaarde (art. 3:91 BW). In dat verband wordt stilgestaan bij de ratio van die bepaling (paragraaf 4.8.1), de noodzaak van een afzonderlijk leveringsvoorschrift (4.8.3) en de wijze waarop aan het leveringsvereiste kan worden voldaan (paragraaf 4.8.4).