Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.7
4.7 Alternatieve constructies
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397323:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.6.
Vriesendorp 1985a, p. 15, Mezas 1985, p. 142-144, Brahn 1991, p. 134, Verstijlen 2007, p. 829, Peter 2007, p. 164-165, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 418 en nr. 489, Reehuis 2013, nr. 24, Asser/Hartkamp& Sieburgh 6-III 2014, nr. 700, Stolz 2015, p. 167 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 523. Zie ook Serick 1963, voetnoot 7, Lambsdorff 1974, p. 8, Bülow 2012, p. 237 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016,§ 449 BGB, Rn. 11. Daarbij dient bedacht te worden dat ook in een zodanig geval de grenzen van artikel 3:92 lid 2 BW in acht moeten worden genomen. Zie Verstijlen & Vriesendorp 1994, p. 519-520, Snijders & Rank- Berenschot 2012, nr. 488 en Reehuis 2013, nr. 14. Anders: Mezas 1994, p. 113-116.
Zie hiervoor in hoofdstuk 2, paragraaf 2.9.
Brahn 1991, p. 134, Peter 2007, p. 132, Reehuis 2013, nr. 14, Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 523 en Heyman & Bartels 2017, p. 262, voetnoot 24. Zie ook Wilhelm 2010, p. 921, voetnoot 3601 en Klang/ Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 46-47. Vgl. ook Lambsdorff 1974, p. 9 die deze constructie niet voor mogelijk houdt, omdat de verkoper zijn dwingendrechtelijke verplichting tot eigendomsverschaffing niet zou nakomen. Daarbij gaat hij er evenwel aan voorbij dat de verkoper die verplichting pas hoeft na te komen op het moment dat de koper de koopprijs voldoet.
Zie hiervoor in paragraaf 4.3.1 over de twee varianten van de verbintenis onder opschortende voorwaarde.
Zie hiervoor in paragraaf 4.4.1 en hierna in paragraaf 4.8.3.2.
Artikel 3:92 lid 1 BW begrijpt het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud slechts bij wijze van vermoeden als een overdracht onder opschortende voorwaarde. In hoofdstuk 2 is gebleken dat voor deze techniek is gekozen om de belangen van de koper te waarborgen.1 In koopovereenkomsten of algemene voorwaarden wordt veelal niet meer bepaald dan dat de verkoper zich de eigendom van de verkochte zaak voorbehoudt, zonder dat ook aandacht wordt besteed aan de vraag op welke wijze de koper na voldoening van de verschuldigde tegenprestatie de eigendom verkrijgt. Bij gebreke van het vermoeden zou het overeenkomen van het eigendomsvoorbehoud namelijk ook aldus kunnen worden geïnterpreteerd dat vóór voldoening van de verschuldigde prestatie in het geheel nog geen levering en overdracht worden gerealiseerd. Het vermoeden van artikel 3:92 lid 1 BW beschermt daarmee de koper, omdat voldoening van de verschuldigde tegenprestatie bewerkstelligt dat hij vanwege de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde automatisch eigenaar wordt.
De formulering van de bepaling als vermoeden laat echter ruimte voor een alternatieve partijafspraak. In de literatuur wordt de overdracht onder ontbindende voorwaarde van niet-voldoening van de verschuldigde tegenprestatie geregeld als alternatief genoemd.2 Van een daadwerkelijk eigendomsvoorbehoud is in een zodanige constructie evenwel geen sprake. Bovendien worden met die constructie geen volledig vergelijkbare resultaten bereikt als met een overdracht onder opschortende voorwaarde.3 Het enige echt denkbare alternatief voor de constructie als overdracht onder opschortende voorwaarde is de constructie waarbij partijen overeenkomen dat ook pas zal worden geleverd op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld.4 Aldus modelleren partijen de verbintenis onder opschortende voorwaarde tot de variant waarin de verkoper gedurende de periode van onzekerheid nog tot niets verplicht is, behalve tot feitelijke overhandiging van de zaak.5 Daardoor heeft de (eventuele) feitelijke terhandstelling van de zaak aan de koper ook niet te gelden als een levering in de zin van artikel 3:91 BW, zodat geen overdracht tot stand komt. Partijen zouden ervoor kunnen kiezen om wel reeds bij voorbaat de verklaringen af te leggen die nodig zijn om de koper het bezit van de zaak te verschaffen op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, zodat sprake is van een geanticipeerde traditio brevi manu (art. 3:115 aanhef en onder b BW), maar deze verklaringen hebben vooralsnog geen levering of overdracht tot gevolg. In het voorgaande is duidelijk geworden dat een dergelijke constructie nadelig is voor de koper. Omdat de levering pas plaatsvindt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, is tot dat moment nog geen overdracht tot stand gekomen.6 Om deze redenen is deze constructie dan ook weinig aanbevelenswaardig.