Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.1
4.7.1 Onjuiste informatieverstrekking is niet automatisch onrechtmatig
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS509869:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hof ‘s-Hertogenbosch 20 juni 2000, NJ 2001/299 (Cees Streng/Breda) en Hof ‘s-Hertogenbosch 17 juni 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9155, r.o. 4.6 (‘s-Hertogenbosch/Grasgroep). Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 21 november 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ2835, r.o. 4.7 (Milieuvergunning Margraten) en Hof ‘s-Hertogenbosch 22 maart 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BY2974, r.o. 4.14 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Vgl. Hof Amsterdam 22 maart 1984, NJ 1985/297 (NAB/Spierings).
Hof ‘s-Hertogenbosch 6 november 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7864, r.o. 4.4.2 (Champignonkwekerij Moerdijk).
Hof Arnhem 7 december 1999, NJ 2002/288 (Cafetaria Arno/Apeldoorn).
Conclusie van A-G Spier, onder 4.5.1-4.7.2, voor HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Conclusie van A-G Spier, onder 4.19, voor HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Scheltema & Scheltema 2008, p. 352.
Vgl. Rb. Den Haag 20 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7804, r.o. 4.10 (Konekto/Staat).
Vgl. Rb. ‘s-Gravenhage (vzr.) 24 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4689, r.o. 3.6 (Belastingdienst/Toeslagen), waarin werd overwogen dat van onrechtmatig handelen sprake kan zijn indien de Belastingdienst/Toeslagen niet in redelijkheid tot een mededeling met betrekking tot de registratie van eiseres in het gemeentelijke register kinderopvang had mogen komen.
Vgl. HR 6 april 1979, NJ 1980/34 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1979/356 m.nt. J.R. Stellinga (Reuvers/Zwolle of Kleuterschool Babbel), waarin de Hoge Raad overwoog dat de aansprakelijkheid van de gemeente voor achteraf onjuist gebleken uitlatingen onder meer afhangt van de vraag in hoeverre men van de zijde van de gemeente in de gegeven omstandigheden (waaronder de bij de gemeente bestaande mogelijkheden tot een nader onderzoek) mocht vertrouwen op de juistheid van deze uitlatingen.
Vgl. Rb. Midden-Nederland 29 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:375 (Geologistiek en J.P. Schilder/Baarn).
Franssen & Van Tilborg 2015, p. 141. Zie ook paragraaf 2.3.1.1.
Schlössels 1998, p. 14-15, omschrijft het specialiteitsbeginsel in zijn ruime betekenis aldus, dat gespecialiseerde instellingen in het publiekrecht, die belast zijn met een typische overheidstaak, in principe uitsluitend werkzaam mogen zijn op hun eigen functionele werkterrein en niet daarbuiten.
Franssen & Van Tilborg 2015, p. 141. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ3275, r.o. 2.12 (Grondwaterbelasting Groot-Salland).
Aldus ook Hof ‘s-Gravenhage 14 april 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AT3883, r.o. 18 (KPN/OPTA), Rb. ‘s-Gravenhage 17 maart 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AO5781, r.o. 3.11 (TPG/OPTA), Rb. Midden-Nederland 29 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:375, r.o. 4.3 (Geologistiek en J.P. Schilder/Baarn), Rb. Zwolle-Lelystad 26 januari 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AS3863, r.o. 3.24 (Lunchroom Lübeck/Zwolle) en de conclusie van A-G Keus, onder 2.19, voor HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1130 (Bouwval Voorst).
HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040, NJ 2011/6 m.nt. M.R. Mok, AB 2012/382 m.nt. S.M. Peek, JB 2010/249 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.4.2 (Eindhoven/ Curatoren) en HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5980, NJ 2011/527 m.nt. M.R. Mok, r.o. 3.6.2 (Tara Beach Resort/Aruba), zoals overgenomen door de Afdeling bestuursrechtspraak in ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:476, AB 2016/396 m.nt. C.N.J. Kortmann, r.o. 5.1 (Paleis Het Loo).
HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, AB 2014/15 m.nt. C.N.J. Kortmann, JB 2013/43 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.3 (Amsterdam/Have).
Vranken 1989, p. 191.
Wanneer de rechter vaststelt dat de burger onjuist is geïnformeerd door de overheid, rijst de vraag of daarmee reeds vaststaat dat de overheid heeft gehandeld in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Anders geformuleerd, is het de vraag of het enkele feit dat de overheid onjuiste informatie heeft verstrekt, voldoende is voor het oordeel dat zij onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. In sommige (oudere) uitspraken kwam de feitenrechter tot een bevestigende beantwoording van die vraag.1 De overheid had informatie verstrekt en dat was onrechtmatig omdat de informatie onjuist was. Uit de motivering van die uitspraken volgde niet dat de feitenrechter (kenbaar) acht had geslagen op alle (relevante) omstandigheden van het geval, noch dat de feitenrechter andere (aanvullende) omstandigheden redengevend achtte voor de conclusie dat de overheid een fout heeft gemaakt door onjuiste informatie te verstrekken.
In andere uitspraken werd onder vermelding van een enkele algemene, aanvullende omstandigheid geconcludeerd tot onrechtmatigheid.2 Zo werd de onjuiste mededeling dat een champignonkwekerij viel onder het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer (oud) onrechtmatig geoordeeld omdat deze mededeling berustte op een onjuiste afstandsmeting, en niet gebleken was dat de gemeente niet door eenvoudig uit te voeren nauwkeuriger onderzoek direct tot een juiste opmeting had kunnen komen.3 De onjuiste mededeling dat de exploitatie van een cafetaria met plateservice was toegestaan, werd onrechtmatig bevonden op de grond dat zij werd gedaan door een ambtenaar waarvan mocht worden aangenomen dat deze bevoegd was dergelijke informatie te verstrekken.4
Blijkens zijn conclusie voor het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel (dat in de volgende paragraaf wordt besproken) kan A-G Spier zich niet vinden in de benadering ‘onjuist = onrechtmatig’.5 De A-G betoogt dat grote terughoudendheid is geboden bij het al te gemakkelijk aannemen van aansprakelijkheid, met name in situaties die zich met de nodige regelmaat voordoen en waarin de schade aanzienlijk zou kunnen zijn. Deze terughoudendheid moet volgens de A-G worden bezien tegen de achtergrond van de mogelijke financiële gevolgen van een verstrekkende overheidsaansprakelijkheid. De A-G stelt dat ten minste een reëel verwijt aan de overheid gemaakt moet kunnen worden. Een andere benadering heeft volgens hem tot gevolg dat:
‘een justitiabele, weze het een burger of een onderneming, (…) zich de moeite (en kosten) van het vragen om een besluit [zou] kunnen besparen door het afvuren van een minder duidelijke brief waarin wordt geïnformeerd of een eventueel verzoek om een vergunning, ontheffing of iets dergelijks zal worden gehonoreerd. Zou later blijken dat het antwoord onjuist was, dan zou de overheid aansprakelijk zijn voor de deswege geleden schade. Zo’n benadering heeft schier onoverzienbare consequenties.’
Het gebruik van de woorden ‘reëel verwijt’ kondigt reeds aan dat A-G Spier een zwaardere toets voorstaat, waarin het enkele feit dat de overheid onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt onvoldoende is voor het aannemen van aansprakelijkheid. Verderop in zijn conclusie komt die voorspelling uit. Het betoog van de A-G culmineert in de stelling dat de enkele vaststelling van onjuistheid niet voldoende is, omdat het van een beoordeling en afweging van alle relevante feiten en omstandigheden afhangt of in een concreet geval onrechtmatig is gehandeld.6
In een oude druk van hun handboek ‘Gemeenschappelijk recht’ verdedigen Scheltema en Scheltema een soortgelijke opvatting.7 Zij stellen dat de overheid onrechtmatig handelt wanneer zij op grond van de informatie waarover zij beschikte in redelijkheid niet – althans niet ongeclausuleerd – de onjuiste of onvolledige inlichting of informatie aan de burger had mogen verstrekken.8 De overheid dient voorts in het geheel van informatieverstrekking af te zien indien in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat de informatie waarover de overheid beschikt voldoende is om aan de burger gegeven informatie op te baseren.9 Onduidelijk blijft echter wanneer volgens Scheltema & Scheltema in de beschikbare hoeveelheid informatie aanleiding moet worden gevonden om geclausuleerd informatie te verstrekken, en in hoeverre ruimte bestaat voor overheidsaansprakelijkheid in het geval van geclausuleerde informatieverstrekking. Het criterium dat Scheltema & Scheltema formuleren blinkt bovendien niet uit in helderheid, nu in het midden blijft op welke wijze moet worden beoordeeld of de overheid, gegeven de beschikbare informatie, in redelijkheid niet tot (ongeclausuleerde) informatieverstrekking had kunnen overgaan.10
De benadering van Scheltema & Scheltema moet echter ook op meer principiële gronden van de hand worden gewezen. Het gebruik van de term ‘in redelijkheid’ duidt op een terughoudende toetsing van de beslissing om tot informatieverstrekking over te gaan, waarin de overheid de vrijheid wordt gelaten om te beoordelen of zij (al dan niet) tot informatieverstrekking overgaat. Bij een terughoudende toetsing zou de rechter tot de conclusie kunnen komen dat de overheid in redelijkheid tot het verstrekken van onjuiste informatie heeft kunnen overgaan. Die benadering legt het zwaartepunt op een rechtmatigheidstoetsing van de keuze van de overheid om tot informatieverstrekking over te gaan.11 Naar ik meen, wordt daarmee ten onrechte de nadruk gelegd op (de oorzaak van) het foutieve handelen van de overheid, terwijl de gevolgen van dat handelen (voor de burger) centraal zouden moeten staan (vgl. paragraaf 4.7.4). Verder zie ik niet in waarom uitsluitend betekenis zou moeten toekomen aan de mate van informatie waarover de overheid beschikte. Wat mij betreft, ligt het voor de hand om (ook) waarde te hechten aan de mate van informatie waarover het betrokken overheidslichaam, gegeven zijn taak en bevoegdheden zou behoren te beschikken. Mijns inziens mag namelijk worden aangenomen dat de kennis van de overheid rechtens wordt begrensd door de aard en strekking van de specifieke aan de orde zijnde publiekrechtelijke taak.12
Deze begrenzing kan met name worden teruggevoerd op het specialiteitsbeginsel in ruime zin.13 Uit het specialiteitsbeginsel vloeit – kort samengevat – voort dat een bestuursorgaan slechts die belangen bij zijn handelen mag (en moet) betrekken die een rol kunnen spelen bij de uitoefening van de bevoegdheid die aan de orde is. Indachtig dit beginsel kan worden betoogd dat de overheid slechts kennis behoort te hebben van feiten die te herleiden zijn tot haar bestuursbevoegdheid.14 Belangen die geen rol kunnen spelen in het publiekrechtelijke kader waarbinnen het bestuursorgaan opereert, behoeven ook uit hoofde van de maatschappelijke zorgvuldigheid niet snel behartiging door de betreffende overheid.
Wat hier ook van zij, uit het voorgaande blijkt in elk geval dat het enkele feit dat de overheid onjuiste informatie heeft verstrekt algemeen van onvoldoende gewicht wordt geacht om te rechtvaardigen dat de overheid daarvoor aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad.15 Op dit punt is wellicht een parallel te trekken met de rechtspraak over de aansprakelijkheid van de overheid wegens niet tijdig beslissen. Het enkele feit dat een wettelijke beslistermijn is overschreden, brengt evenmin mee dat de overheid aansprakelijk is. Hiervoor is eveneens vereist dat bijkomende omstandigheden aanwezig zijn, die maken dat de overheid in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm handelt door een besluit te nemen met overschrijding van de beslistermijn.16 Uit het arrest Amsterdam/Have volgt dat deze regel voortvloeit uit het relativiteitsvereiste.17 Een beslistermijn strekt in de eerste plaats ertoe het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen, en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. Een wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade als gevolg van het uitblijven van een beslissing binnen die termijn. Iets vergelijkbaars geldt bij onjuiste informatieverstrekking. Het verstrekken van informatie strekt immers in de eerste plaats ertoe om de burger in staat te stellen om goed geïnformeerde keuzes te maken (zie paragraaf 6.4). Het verstrekken van onjuiste informatie leidt niet zonder meer ertoe dat de burger hiertoe niet in staat is. Om die reden is het enkele feit dat onjuiste informatie is verstrekt, onvoldoende voor aansprakelijkheid. Hiervoor is meer nodig. In de rechtspraak wordt weliswaar terecht aangenomen dat hoge eisen mogen worden gesteld aan informatie die wordt verstrekt door de overheid, maar dat betekent niet dat het verstrekken van informatie die niet aan die eisen voldoet steeds maatschappelijk onbetamelijk is. Het kernprobleem bij de toetsing aan ongeschreven zorgvuldigheidsnormen is hiermee waar het omslagpunt is gelegen, waarop het verstrekken van onjuiste informatie wél rechtens ongewenst en dus onbetamelijk en onrechtmatig wordt.18 Op dit omslagpunt wordt hierna ingegaan aan de hand van het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel.