Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/X.5.2
X.5.2 Vaststelling van nietigheid en vernietiging door de rechtbank
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178691:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:59 BW voorziet in de overeenkomstige toepassing van de bepalingen van titel 3.2 (Rechtshandelingen) buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Zelfs indachtig de in de toelichting gevorderde ‘uitermate voorzichtigheid’ (Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 251 (MvA II)) verzet de aard van het besluit zich m.i. niet tegen toepassing van de hier te bespreken art. 3:41 of 3:53 lid 2 BW. Zo ook Timmerman 1992, p. 156-158.
Zie GS Vermogensrecht/De Loos-Wijker 2017, art. 3:41 BW, aant. 2.3.
Vgl. het ruime criterium in HR 20 december 2013, NJ 2014/347, m.nt. Hijma (BP/Benschop Woerden II), rov. 3.7.3.
Vgl. Hijma 1988, p. 205-209 alsmede de jurisprudentie aangehaald bij GS Vermogensrecht/Verbeek 2010, art. 3:53 BW, aant. 7.
Vgl. HR 22 december 2009, JOR 2010/40, m.nt. Nowak (Hay Group) en, in de jaarrekeningprocedure, § 5.1 hierboven.
Zie uitvoerig § VII.4.2 en 4.3.
In § VII.7 betoog ik dat de mogelijkheden naar wenselijk recht ruimer zouden moeten zijn.
Vgl. Eikelboom 2014, p. 245-246.
Zie o.a. HR 21 mei 1943, NJ 1943/484 (Baus/De Koedoe II), Hof ’s- Gravenhage 1 oktober 1982, NJ 1983/393 (Scheepsbouw Van Rees) en Hof Arnhem 27 mei 1992, NJ 1993/182, m.nt. Maeijer (Uniwest), rov. 13.
Stelt de rechtbank de nietigheid van het jaarrekeningbesluit vast of vernietigt zij dat besluit, dan brengt haar uitspraak met werking erga omnes de ongeldigheid van het jaarrekeningbesluit en de jaarrekening teweeg (art. 2:16 lid 1 BW). In beginsel betekent dit dat het besluit en de jaarrekening als geheel van tafel zijn. De vraag is evenwel of de belanghebbende, denk aan de klagende aandeelhouder, dit wel beoogde nu het hem veeleer zal gaan om de opheffing van eigen nadeel.
Boek 3 BW biedt een tweetal mogelijkheden om de reikwijdte van de nietigheid of de vernietiging te beperken, die overeenkomstig van toepassing zijn op het jaarrekeningbesluit.1 Allereerst voorziet art. 3:41 BW in partiële vernietiging. Treft een nietigheids- of vernietigingsgrond2 een deel van het besluit, dan blijft het besluit voor het overige in stand voor zover het met dat deel niet in onverbrekelijk verband staat. Hoogstwaarschijnlijk moet de rechter deze bepaling ambtshalve toepassen.3 Niettemin is partiële vernietiging onmogelijk indien de grond van ongeldigheid ziet op het jaarrekeningbesluit in toto, dat wil zeggen dat deze bijvoorbeeld bestaat uit een formeel gebrek en niet specifiek ziet op de positie van de klagende aandeelhouder. Daarnaast kan partiële vernietiging afstuiten op de onsplitsbaarheid van het litigieuze jaarrekeningbesluit (en dus de jaarrekening) in een geldig en een ongeldig deel. Hiervan zal niet snel sprake zijn; mijns inziens bestaat voldoende rechtvaardiging bij de gedeeltelijke instandhouding van de jaarrekening als de klacht zich slechts richt op enkele posten daarvan. De belangen van overige betrokkenen bij de jaarrekening sterken deze conclusie.4
Een tweede mogelijkheid vormt art. 3:53 lid 2 BW, dat de rechtbank de bevoegdheid geeft aan de nietigheid5 of de vernietiging van een jaarrekeningbesluit geheel of ten dele haar werking te ontzeggen indien de reeds ingetreden gevolgen bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De rechtbank kan dat slechts ‘desgevraagd’. Denkbaar is dat de klagende aandeelhouder de rechtbank verzoekt de rechtsgevolgen tot hem te beperken teneinde de kans op toewijzing van zijn vordering te vergroten. Evenzo mogelijk is het tegenovergestelde: de rechtspersoon zou kunnen vragen de gevolgen van een vernietiging van het jaarrekeningbesluit geheel uit te sluiten, zodat voortbouwende besluiten en rechtshandelingen intact blijven. Dit laatste is uiteraard niet hetgeen de klagende aandeelhouder beoogt; gelukkig moet de rechtbank terughoudend omgaan met de bevoegdheid van art. 3:53 lid 2 BW. Van een ‘bezwaarlijke ongedaanmaking’ is niet licht sprake.6
Als een jaarrekeningbesluit nietig of vernietigd is, bestaat dat besluit en de daarmee vastgestelde jaarrekening rechtens niet. Datzelfde lot treft een voortbouwend besluit, zoals een uitkeringsbesluit.7 Op zich is de klagende aandeelhouder dan niet veel verder gekomen: het doen van een nieuwe, hogere dividenduitkering vergt een nieuwe jaarrekening en een nieuw uitkeringsbesluit. In principe is het aan de rechtspersoon om tot deze besluiten te komen. Kan de rechtbank echter ook ‘zelf in de zaak voorzien’?
Een eerste mogelijkheid biedt art. 3:300 lid 1 BW, dat de rechter desgevorderd bevoegd acht te bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is. Deze vorm van reële executie kan ook op besluiten toepassing vinden.8 De rechter kan dus een jaarrekeningbesluit vaststellen. Hij zal dat vooral kunnen wanneer de jaarrekening maar op één wijze kan luiden, al is dat naar geldend recht geen hard vereiste.9 In andere gevallen past de rechter terughoudendheid.10
Iets minder ver gaat een tweede weg: de rechtbank gebiedt de rechtspersoon ex art. 3:296 BW de jaarrekening vast te stellen overeenkomstig haar aanwijzingen, zulks onder dreiging van een dwangsom. In wezen behelst zo’n gebod niets meer dan dat de rechtspersoon de wet moet naleven. Art. 2:394 BW dwingt de rechtspersoon immers reeds een nieuwe jaarrekening vast te stellen. Hoewel tegen het uitvaardigen van een gebod om de jaarrekening vast te stellen theoretische bezwaren bestaan – juister zou het zijn een of meerdere aandeelhouders te veroordelen om op zekere wijze te stemmen11 – acht ik deze niet onoverkomelijk. Lastiger ligt het geven van aanwijzingen: de rechtbank komt ter zake mijns inziens niet de discretie toe die de Ondernemingskamer in de jaarrekeningprocedure heeft. De rechtbank kan bijvoorbeeld bepalen dat een nieuw vast te stellen jaarrekening niet de grenzen van art. 2:8 BW overschrijdt, in die zin dat de belangen van de klagende aandeelhouder recht moet worden gedaan. De rechtbank kan evenwel niet voorschrijven hoe de jaarrekening dan exact zou moeten luiden. Ook een veroordeling tot het betalen van een zekere hoeveelheid dividend, zoals weleens uitgesproken,12 strookt niet met het principe dat het aan de rechtspersoon en zijn organen is overgelaten om de door hen gewenste besluiten te nemen binnen de grenzen die de wet stelt. Al met al reikt de vrijheid van de rechter minder ver dan die van de Ondernemingskamer.