Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.5.5.3.4
4.5.5.3.4 De aansprakelijkheid van de producent
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS366253:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de toelichting is het eindpunt van deze ontwikkelingen moeilijk te voorzien en moet o.m. met aspecten van verzekering-technische aard rekening worden gehouden; Tweede Kamer 1975-1976, kamerstuknummer 7729, ondernummer 6, p. 69 (MvA).
Tweede Kamer, 1975-1976, kamerstuknummer 7729, ondernummer 6, p. 70 (MvA).
Idem.
Vgl. Tweede Kamer 1975-1976, kamerstuknummer 7729, ondernummer 6, p. 68 (MvA): “het feit dat voor de uitvoering van een verbintenis een gebrekkige of om een andere reden daartoe ongeschikte zaak wordt gebruikt, [is] in de regel terug te voeren op menselijk falen, hetzij van degene die deze zaak gebruikt, hetzij van degene die haar voor dit gebruik aan de schuldenaar ter beschikking heeft gesteld, haar heeft vervaardigd, een bepaald onderdeel van die zaak heeft vervaardigd of in een nog eerder stadium heeft deelgenomen aan het productieproces waarvan de falende zaak het eindresultaat was.”
Vgl. Hartlief 2015, p. 1639.
Artikel 6:192 lid 2 BW zorgt ervoor dat een particuliere bezitter niet bekneld kan raken. De producent mag zijn aansprakelijkheid niet uitsluiten of beperken ten aanzien van een niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelende derde, die mede voor de schade aansprakelijk is. Afwijking van de regresregels van artikel 6:101 en 6:102 BW jegens een particuliere bezitter is derhalve niet mogelijk. Derhalve wordt met artikel 6:173 lid 2 BW alleen de bedrijfsmatige bezitter beschermd. Vgl. Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/270.
De verkoper kan zich niet vrijtekenen jegens een consument is (artikel 7:6 BW). De bezitter zal doorgaans niet in een contractuele relatie tot de gelaedeerde staan en kan zijn aansprakelijkheid jegens de gelaedeerde derhalve niet uitsluiten.
Indien zijn voorman de aansprakelijkheid jegens hem heeft uitgesloten en hij zijn aansprakelijkheid jegens de schuldeiser niet uit kan sluiten in verband met artikel 6:233 sub a jo. 6:237 sub f of vanwege artikel 7:463 BW. Vgl. Van 2011, p. 47. Indien zijn voorman de aansprakelijkheid niet heeft uitgesloten dan kan hij een regresvordering instellen of de voorman in vrijwaring oproepen en zal er geen sprake zijn van beknelling. Regres op de producent wordt bepaald door artikel 6:102 jo. 6:101 BW. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2017/133-134 en Rechtbank ’s-Hertogenbosch 15 juni 2005, JBPr 2005, 75, met nt. J.S. Kortmann. Indien een aansprakelijkheidsverzekeraar de schade heeft uitgekeerd aan de schuldenaar, dan staat de ((niet zo) tijdelijke)) verhaalsregeling van artikel 6:197 BW in beginsel in de weg aan regres van deze verzekeraar op de producent, maar daarop is een uitzondering gemaakt voor de aansprakelijkheidsverzekeraar die zich op een mede aansprakelijke persoon wil verhalen (art. 6: 197 lid 2 onder a BW).
Zie bijvoorbeeld Rossel 1992, p. 573 & 575; Krans 1997, p. 312; Hartlief 2001, p. 985; Van Boom & van Doorn 2006, p. 270; Asser/Hijma 7-I* 2013/445; van Wees 2015, par. 4.4.
Behoudens art. 6:178 BW (van toepassing op de gebruiker van een gevaarlijke stof, de exploitant van een stortplaats en de exploitant van een mijnbouwwerk).
Vgl. Van 2011, par. 6.b.
Vgl. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/207; Kortmann 1991, p. 27.
Vgl. Kortmann 1991, p. 27. Zie ook Köster die schreef dat bij de vraag of de schuldenaar aansprakelijk is voor het gebruik van hulpzaken gekeken dient te worden of het contract gelijkenissen vertoont met een ander contract waarvoor in de wet een speciale regel voor de aansprakelijkheid voor zaken is opgenomen zodat die regel analogisch kan worden toegepast (Annotatie H.K. Köster bij HR 5 januari 1968 & HR 13 december 1968, AA 1969, p. 439).
In verband met artikel 6:233 sub a jo. 6:237 sub f of vanwege artikel 7:762 BW.
Vgl. Van Boom en van Doorn 2006, p. 266.
HvJ EU 25 april 2002, C-52/00, (Commissie/Frankrijk); HvJ EU 14 maart 2006, C-177/04, (Commissie/Frankrijk).
HvJ EU 25 april 2002, C-52/00, r.o. 16 (Commissie/Frankrijk). Zie ook: HvJ EU 25 april 2002, C-154/ 00 (Commissie/Griekenland) en HvJ EU 25 april 2002, C-183/00 (Gonz Á lez S Á nchez).
HvJ EU 10 januari 2006, C-402/03 (Bilka/Mikkelsen).
HvJ EU 10 januari 2006, C-402/03, r.o. 34.
Op grond van artikel 13 van de Richtlijn; HvJ EU 10 januari 2006, C-402/03, r.o. 47.
Annotatie M.R. Mok bij HvJ EU 10 januari 2006, NJ 2006, 286.
Het risico komt voor rekening van de verkoper krachtens verkeersopvattingen ex artikel 6:75 BW; HR 27 april 2001, NJ 2002, 213 (Oerlemans/Driessen).
Van Zwieten (2013) meent dat de kanalisatie juist in strijd is met de Richtlijn Productaansprakelijkheid omdat de richtlijn krachtens artikel 13 het reeds bestaande contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht ongemoeid zou laten. Zie hierover echter het HvJ: ‘dat artikel 13 (…) niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake producten met gebreken te handhaven dat verschilt van het stelsel van de richtlijn’ (HvJ EU 10 januari 2006, C-402/03, r.o. 39).
Of als het gaat om schade die niet onder het schadebegrip van de richtlijn valt (HvJ EU 4 juni 2009, C- 285/08 (Moteurs Leroy Somer)).
HvJ EU 21 december 2011, C-495/10.
Beknelling zal dikwijls alleen optreden in een B2C verhouding.
Vgl. Hondius 1990, par. 6; Ansems 2017, p. 71.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/508. Van deze nauwe samenhang zal sprake zijn wanneer de schuldenaar zijn aansprakelijkheid jegens de schuldeiser op een overeenkomstig beding in zijn contract met zijn voorschakel afstemt, en vervolgens met een vernietiging wordt geconfronteerd (Tweede Kamer 1981, kamerstuknummer 16 983, ondernummer 3, p. 64 (MvT)).
Bij consumentenkoop biedt artikel 7:25 BW een soortgelijke bescherming aan de verkoper. Ook artikel 7:24 lid 3 BW helpt de verkoper bij verhaal op de producent; Tweede Kamer 1981, kamerstuknummer 16 983, ondernummer 3, p. 65 (MvT). Zie over het samenspel tussen deze artikelen Krans 1997, p. 313.
Tweede Kamer 1981, kamerstuknummer 16 983, ondernummer 3, p. 65 (MvT): ‘Essentieel voor de toepassing van artikel (…) [6:244 BW] is steeds dat door een vernietiging of een verbod de gebruiker van algemene voorwaarden in een beknelde situatie dreigt te geraken doordat hij in een andere contractuele verhouding een nauw met het vernietigde of verboden beding samenhangende bepaling heeft moeten aanvaarden’.
Artikel 3:310 lid 5 BW. Dit geldt voor schadeveroorzakende gebeurtenissen die na 1 februari 2004 hebben plaatsgevonden.
Idem.
In de MvA bij artikel 6:77 BW komt naar voren dat in artikel 6:77 BW geen ongelimiteerde aansprakelijkheid van de schuldenaar is opgenomen vanwege de mogelijkheid voor de gelaedeerde om de producent aan te spreken en de omstandigheid dat een genuanceerde regel beter zou zijn afgestemd op ‘de moderne maatschappelijke en technische ontwikkelingen die doen verwachten dat schaden door het falen van zaken die bij de uitvoering van een verbintenis worden gebruikt, zich in steeds meer en ook in steeds sterker uiteenlopende gevallen zullen gaan voordoen’.1 Zo zou het bij medische hulpzaken die door de producent met een gebrek in het verkeer zijn gebracht voor de hand kan liggen om de producent aan te spreken en een vordering jegens een hulpverlener af te wijzen.2 De rechter kan volgens de MvA hiertoe komen door de aansprakelijkheid onder artikel 6:77 BW af te wijzen op grond van de tenzij-formule. Daarbij wordt echter opgemerkt dat “de weg voor een verdere ontwikkeling [wordt] opengelaten. De ondergetekende geeft daaraan ook de voorkeur, omdat hetgeen hier van geval tot geval behoort te gelden mede afhankelijk zal zin van de maatschappelijke opvattingen, terwijl deze opvattingen thans in beweging zijn”.3
Dit roept de vraag op of toerekening aan de schuldenaar op grond van artikel 6:77 BW krachtens verkeersopvatting onredelijk moet worden geacht indien de regeling van afdeling 6.3.3 inzake productaansprakelijkheid van toepassing is. Dit zou leiden tot een kanalisatie van artikel 6:77 BW naar artikel 6:185 BW. Dit artikel is van toepassing indien de ongeschiktheid van de hulpzaak het gevolg is van een gebrek.4 Deze vraag kan niet enkel aan de hand van de zojuist beschreven MvA beantwoord worden aangezien de daaruit voortvloeiende opvatting, zoals de minister aangeeft, mogelijk niet representatief (meer) is voor de huidige verkeersopvatting. Derhalve zullen overige omstandigheden bekeken worden die bij kunnen dragen aan beantwoording van de vraag.
Voor een bevestigend antwoord op de vraag pleiten de artikelen 6:173 en 7:24 BW die resp. zien op de aansprakelijkheid van de bezitter voor gebrekkige zaken en de aansprakelijkheid van de verkoper voor non-conforme zaken.5 In het tweede lid van beide artikelen is, indien de regeling betreffende de productaansprakelijkheid van toepassing is, de aansprakelijkheid gekanaliseerd naar de producent. De reden hiervoor is dat het niet wenselijk zou zijn als de aansprakelijkheid van de bezitter of verkoper groter zou zijn dan die van de producent.6 De producent kan zich vrijtekenen voor aansprakelijkheid jegens de verkoper of (bedrijfsmatige) bezitter,7 terwijl deze partijen zich niet vrij kunnen tekenen jegens de gelaedeerde waardoor zij in een beknelde positie terecht zouden komen.8 De schuldenaar in de zin van artikel 6:77 BW zou eveneens in een dergelijke beknelde positie terecht kunnen komen.9 Bij de kanalisatie van artikel 6:173 BW en artikel 7:24 BW als argument voor het aannemen van een soortgelijke kanalisatie bij artikel 6:77 BW zijn echter meerdere kanttekeningen te plaatsen.
In de eerste plaats is op de kanalisatie van artikel 6:173 BW en artikel 7:24 BW in de literatuur veel kritiek geuit, waardoor dit niet vanzelfsprekend als referentiekader kan worden aangenomen.10 In de tweede plaats is de kanalisatie van artikel 6:173 BW vanuit een systematisch oogpunt, met het oog op de andere buitencontractuele risicoaansprakelijkheden van afdeling 6.3.2 BW, een vreemde eend in de bijt. Ook de ouder, de bezitter van een dier, de werkgever, de bezitter van een opstal, de gebruiker van een gevaarlijke stof, de exploitant van een stortplaats en van een mijnbouwwerk zijn risicoaansprakelijk jegens de gelaedeerde terwijl zij deze schade niet op een derde kunnen verhalen,11 en zich evenmin jegens de gelaedeerde kunnen disculperen.12 Desalniettemin heeft de wetgever het risico op schade aan hen toebedeeld omdat dat, in verhouding tot de gelaedeerde, op grond van allerhande overwegingen, het meest wenselijk werd geacht. Ook het in het kader van de kanalisatie van artikel 6:173 BW aangevoerde argument dat het hanteren van dubbele risicoaansprakelijkheden moet worden vermeden, is niet geheel in lijn met de rest van afdeling 6.3.2 BW. Zo wordt ten aanzien van een gebrekkige opstal en een gevaarlijke stof ook een dubbele risicoaansprakelijkheid gehanteerd.
In de derde plaats is ten aanzien van de kanalisatie van artikel 7:24 BW relevant dat het beschermen van de beknelde verkoper middels een kanalisatie tegenwicht biedt aan artikel 7:18 BW. Dit artikel bevat een vermoeden van non-conformiteit bij gebreken die zich binnen zes maanden openbaren en leidt tot een grote mate van consumentenbescherming. Met het oog op de omstandigheid dat de verkoper slechts een doorgeefluik is, wordt met de kanalisatie van artikel 7:24 BW een evenwicht gecreëerd tussen de vergaande bescherming van de consumentkoper en de positie van de verkoper.13 Afdeling 6.1.9 BW bevat niet een dergelijk artikel voor de schuldeiser die schade lijdt door een ongeschikte hulpzaak en de schuldenaar die een hulpzaak gebruikt voor de uitvoering van een verbintenis is, zoals in de vorige alinea naar voren kwam, niet slechts een doorgeefluik.14
In de vierde plaats is ten aanzien van de kanalisatie van artikel 7:24 BW relevant dat het bij artikel 7:24 BW om een andersoortige schuldenaar gaat dan de schuldenaar waar artikel 6:77 BW dikwijls op ziet. De verkoper is slechts een doorgeefluik,15 terwijl de gebruiker van een zaak door iemand is ingehuurd om een opdracht of werk te verrichten. Dit geeft de overeenkomst een andersoortig karakter dat beter aansluit bij de overeenkomst inzake aanneming van werk dan bij de koopovereenkomst. Zowel de overeenkomst inzake aanneming van werk, als de overeenkomst die in het kader van artikel 6:77 BW dikwijls centraal staat, dragen een dienstverleningskarakter.16 In het kader van de vraag of artikel 6:77 BW een kanalisatie bevat of dient te bevatten, is het dan ook relevant om vast te stellen dat de aannemer van werk op grond van artikel 7:760 BW risicoaansprakelijk is voor het gebruik van ondeugdelijke zaken en deze aansprakelijkheid niet wordt gekanaliseerd naar de producent.17 Dit terwijl ook de aannemer in een beknelde positie terecht zou kunnen geraken.18
In de vijfde plaats is van belang dat er krachtens Europese regelgeving een belangrijk verschil bestaat tussen de aansprakelijkheid van de verkoper (in de woorden van de Richtlijn Productaansprakelijkheid: leverancier) en de aansprakelijkheid van de gebruiker van een hulpzaak. Volgens lid 3 van de Richtlijn is de leverancier (als ware hij producent) aansprakelijk indien hij niet binnen een redelijke termijn de identiteit van de producent of degene die hem het product heeft geleverd, meedeelt aan de gelaedeerde.19 Het nationale recht mag geen aansprakelijkheid van de leverancier (jegens een consument) aannemen die afwijkt van de wijze waarop de richtlijn de verhouding tussen de producent en de leverancier heeft geschetst. Dit betekent dat het nationale recht geen risicoaansprakelijk van de leverancier mag hanteren op gelijke voet als de aansprakelijkheid van de producent. Dit laatste was aan de orde in Frankrijk en werd veroordeeld door het HvJ.20 De beoordelingsmarge van de lidstaten ten aanzien van de aansprakelijkheid voor gebrekkige producten wordt volgens het HvJ volledig door de richtlijn bepaald.21 Dit heeft het HvJ herhaald in een Deense prejudiciële procedure.22 Twee consumenten die voedselvergiftiging had opgelopen door het eten van eieren die zij in de winkel van Bilka hadden gekocht, stelden Bilka hiervoor aansprakelijk. Bilka riep de producent, Skov, in vrijwaring op. De rechter oordeelde in overeenstemming met het Deense recht dat Bilka (risico)aansprakelijk en schadeplichtig was jegens de consumenten en veroordeelde Skov de schade aan Bilka te vergoeden. Het HvJ oordeelde:23
“de richtlijn voorziet uitsluitend in de aansprakelijkheid van de leverancier indien niet kan worden vastgesteld wie de producent is. Door (…) te bepalen dat de leverancier jegens de gelaedeerde rechtstreeks aansprakelijk is voor de gebreken van een product, heeft de Deense wetgever dus de kring van aansprakelijke personen (…) uitgebreid buiten de door de richtlijn gestelde grenzen.”
Hoewel het HvJ opmerkt dat de Richtlijn een vordering jegens de leverancier op grond van nationale regels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten niet uitsluit,24 is niet goed denkbaar dat op grond van deze regels alsnog een risicoaansprakelijkheid van de leverancier voor gebrekkige producten gehanteerd mag worden. Daarmee zou immers de aansprakelijkheid van de leverancier op gelijke voet komen te staan met de aansprakelijkheid van de producent en het regime van de Richtlijn omzeild worden ten aanzien van een actor wiens positie de Richtlijn regelt. Ook Mok gaat er in zijn annotatie vanuit dat een gelaedeerde die een vordering instelt op grond van deze andere regels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid schuld van de leverancier zal dienen te bewijzen.25 De regel van de Hoge Raad dat een tekortkoming die het gevolg is van de levering van een gebrekkig product in een B2B verhouding krachtens risico aan de verkoper wordt toegerekend,26 zou in een B2C verhouding waarschijnlijk dus niet toegestaan zijn.27
De beoordelingsmarge van de lidstaten ten aanzien van de aansprakelijkheid voor gebrekkige producten wordt echter niet door de richtlijn bepaald als het gaat om de aansprakelijkheid van actoren wier juridische positie niet door de richtlijn wordt gereguleerd.28 Zo mag het nationale recht een algemene regel van risicoaansprakelijkheid bevatten voor degene die een zaak bij de uitvoering van een dienst gebruikt. De positie van deze gebruiker wordt immers niet door de richtlijn bepaald. Dit heeft het HvJ bevestigd in, wederom, een Franse zaak.29 Het ging in deze zaak om de (prejudiciële) vraag of de richtlijn productaansprakelijkheid in de weg staat aan de in het Franse publiekrecht geformuleerde regel dat het ziekenhuis zonder schuld aansprakelijk is voor het gebruik van falende producten en apparaten. Het HvJ beantwoordde deze vraag ontkennend. Een dienstverlener die bij de uitvoering van de dienst een gebrekkig product gebruikt waarvan hij niet de producent is, valt buiten de werkingssfeer van de richtlijn. De richtlijn verzet zich volgens het HvJ niet tegen een nationale regeling die voorziet in de risicoaansprakelijkheid van een dergelijke dienstverlener en zou zich dus ook niet tegen een risicoaansprakelijkheid van de schuldenaar in de zin van artikel 6:77 BW verzetten.
In de zesde plaats is relevant om vast te stellen dat het aannemen van een kanalisatie in artikel 6:77 BW vanwege beknelling van de schuldenaar impliceert, dat de schuldeiser zijn debiteur niet aan kan spreken omdat die zich kan verschuilen achter de omstandigheid dat hij akkoord is gegaan met een exoneratie van een leverancier of producent.30 Dit lijkt niet aan te sluiten bij een van de ontstaansredenen van artikel 6:77 BW: de schuldenaar zou zich niet achter anderen, zoals leveranciers en producenten, moeten kunnen verschuilen.31 Indien de schuldenaar ervoor heeft gekozen om zijn mogelijkheid tot verhaal te beperken door akkoord te gaan een vrijtekeningsbeding in zijn overeenkomst met een producent, komt dat voor zijn rekening en dient hem dat niet een verweer te verschaffen jegens een andere contractuele wederpartij, de schuldeiser.32 Bovendien biedt artikel 6:244 BW mogelijk soelaas aan de schuldenaar in een dergelijke situatie. Dit artikel ziet op de omstandigheid dat de schuldenaar zich genoodzaakt voelde zijn aansprakelijkheid jegens de schuldeiser uit te sluiten omdat hijzelf eveneens geconfronteerd is met een exoneratiebeding van zijn voorman, zoals de producent. Indien de schuldenaar zich jegens de schuldeiser niet op een exoneratiebeding kan beroepen omdat dit beding op grond van afdeling 6.5.3 BW is vernietigd, dan kan met behulp van artikel 6:244 BW voorkomen worden dat de producent zich jegens de schuldenaar wel op een exoneratiebeding kan beroepen. Hiervoor is vereist dat een beroep op het exoneratiebeding door de producent onredelijk zou zijn met het oog op de nauwe samenhang tussen dat beding en het vernietigde beding waarmee de schuldenaar de exoneratie had ‘doorgegeven’ aan de schuldeiser.33 Hiermee wordt bescherming geboden aan een beknelde tussenpersoon, zoals een detaillist,34 een opdrachtnemer, een aannemer van werk of een andersoortige schuldenaar die zich jegens de schuldeiser niet kan vrijtekenen (voor het gebruik van ongeschikte hulpzaken) vanwege het onredelijk bezwarende karakter van het exoneratiebeding.35 Hoewel artikel 6:244 BW de schuldenaar niet beschermt die een ongeschikte hulpzaak heeft gebruikt en zijn aansprakelijkheid vanwege een andere reden dan afdeling 6.5.3 niet kan uitsluiten, bijvoorbeeld vanwege het exoneratieverbod van artikel 7:463 BW, kan via de weg van artikel 6:233 lid 1 of artikel 6:248 lid 2 BW mogelijk een vergelijkbaar resultaat tot stand komen.36
Tot slot is vanuit het oogpunt van consumentenbescherming van belang dat een vordering tot schadevergoeding jegens de producent kortere verjarings- en vervaltermijnen kent dan de vordering op grond van artikel 6:74 jo. 6:77 BW. De vordering tot schadevergoeding jegens de producent verjaart op grond van artikel 6:191 lid 1 BW 3 jaar nadat de gelaedeerde bekend is geworden of had moeten worden met het gebrek, de schade en de producent en vervalt 10 jaar nadat de zaak in het verkeer is gebracht. De vordering tot schadevergoeding jegens de schuldenaar op grond van artikel 6:74 jo. 6:77 BW verjaart op grond van 3:310 lid 1 BW 5 jaar nadat de schuldeiser bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon en in ieder geval 20 jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Indien de vordering van de schuldeiser ziet op vergoeding van letselschade, dan geldt de lange termijn van 3:310 lid 1 BW niet en kan de vordering niet verjaren voordat de schuldeiser zowel met de schade, als met de aansprakelijke persoon (de schuldenaar) bekend is geworden.37 Een kanalisatie naar de producent komt de consument dan ook niet ten goede, zo merkt ook Hijma op in het kader van de kanalisatie van artikel 7:24 BW.38 De kanalisatie zou ‘ongebruikelijk weinig oog hebben’ voor de belangen van de consumentkoper die schade lijdt. Als mogelijke problemen voor de consument noemt hij onder meer dat de producent onvindbaar, opgeheven, failliet of insolvabel kan blijken te zijn en dat de aansprakelijkheid van de producent uitzonderingen kent waardoor een vordering jegens de producent niet altijd zal slagen.39 Deze problemen gelden ook voor de consument die in het kader van artikel 6:77 BW met een kanalisatie geconfronteerd wordt.