Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.3.1.3
3.3.1.3 Wederzijdse afhankelijkheid in geval van faillissement
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS464355:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 juni 2005,JOR 2005, 174 (Decidewise International, m.nt. J.J.M. van Mierlo). Zie hierover ook J.J.M. van Mierlo 2005, p. 394-397.
OK 30 juni 2004,JOR 2004, 231, r.o. 3.7 (Decidewise International, m.nt. Van Andel). Zie ook OK 29 april 2003,ARO 2003, 79 (Decidewise International).
Art. 69 lid 1 Fw luidt: ‘Ieder der schuldeisers, de commissie uit hun midden benoemd en ook de gefailleerde kunnen bij verzoekschrift tegen elke handeling van den curator bij den rechter-commissaris opkomen, of van dezen een bevel uitlokken, dat de curator eene bepaalde handeling verrichte of eene voorgenomen handeling nalate.’
Vergelijk A-G Timmerman in zijn conclusie (overweging 2.5) bij HR 24 juni 2005, JOR 2005, 174 (Decidewise International). Zie over de verschillende typen boedelschulden ook Huizink 2009, nr. 19.
Art. 69 Fw lijkt de aandeelhouders in deze overigens geen soelaas te bieden, noch in de enquêteprocedure zelf (de OK heeft in deze geen taak, aldus de HR), noch daarbuiten. De omstandigheid dat de vennootschap ten tijde van de toewijzing van het enquêteverzoek reeds in staat van faillissement verkeert, maakt dat een vordering ter zake van de onderzoekskosten hooguit als niet-verifieerbare vordering kan worden bestempeld, hetgeen tot de conclusie voert dat de aandeelhouders niet behoren tot de personen die zich op genoemde bepaling kunnen beroepen. Vergelijk HR 10 mei 1985, NJ 1985, 791, r.o. 3.3.1 (m.nt. Van der Grinten).
Zie in dit verband ook OK 9 januari 2006, ARO 2006, 14, r.o. 2.6 en 2.7 (KPNQwest), te lezen in samenhang met OK 28 december 2006, ARO 2007, 7, r.o. 3 (KPNQwest).
Vergelijk: OK 3 januari 2006, ARO 2006, 10, r.o. 3.8 en dictum (LCI-Technology Group); OK 17 februari 2006, ARO 2006, 42, r.o. 2 (Decidewise International); OK 21 augustus 2008, ARO 2008, 146 (KPNQwest).
61. Decidewise. De Ondernemingskamer is niet bevoegd verzoeken van curatoren tot het instellen van een onderzoek ten aanzien van de vennootschap in wier faillissement zij zijn aangesteld, in behandeling te nemen. De curatoren zijn derhalve afhankelijk van initiatieven op dit punt van de kapitaalverschaffers, de vakbonden of de advocaat-generaal om redenen van openbaar belang. Opmerking verdient dat de laatsten op hun beurt ook in zekere zin afhankelijk zijn van medewerking van curatoren. Ik doel op de beschikking van de Hoge Raad van 24 juni 2005 inzake Decidewise.1Ons hoogste rechtscollege heeft in deze uitspraak uitgemaakt dat de opvatting van de Ondernemingskamer dat de kosten als bedoeld in art. 2: 350 lid 3 BW zonder meer als boedelschuld hebben te gelden in het faillissement van de rechtspersoon ten aanzien waarvan na zijn faillietverklaring een onderzoek als bedoeld in art. 2: 345 BW is bevolen2, onjuist is: ‘Noch de tekst van art. 2: 350 lid 3 BW noch ook de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling biedt daarvoor enig aanknopingspunt. De door de ondernemingskamer in aanmerking genomen omstandigheid dat de verplichting van de rechtspersoon om die kosten te betalen een rechtstreeks uit de wet voortvloeiend gevolg is van de – ook in geval van het faillissement van de rechtspersoon mogelijke – rechterlijke beslissing dat een onderzoek dient plaats te vinden en de rechterlijke vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten, brengt evenmin mee dat die verplichting een rechtstreeks uit de wet voortvloeiende schuld is.’ (rechtsoverweging 3.4). De consequentie van deze beslissing is dat de curator zelf kan beslissen of en in hoeverre hij middelen uit de boedel ter beschikking stelt om de onderzoekskosten te voldoen. Toont de curator zich hiertoe niet bereid, dan kan degene die om het onderzoek heeft verzocht ervoor kiezen die kosten voor eigen rekening te nemen. Ook kunnen, zo overweegt de Hoge Raad, de in art. 69 Fw genoemde personen proberen een bevel van de rechter-commissaris aan de curator uit te lokken om een boedelbijdrage ter beschikking te stellen3 : ‘De ondernemingskamer heeft te dien aanzien echter geen taak, evenmin als ten aanzien van de vraag of het gaat om een verbintenis tengevolge waarvan de boedel is gebaat (art. 24 Fw4).’ (rechtsoverweging 3.4)
De boven weergegeven beslissing van de Hoge Raad is vanuit faillissementsrechtelijk oogpunt – lees: boedelschulden kunnen slechts ontstaan door toedoen van de curator of uit de wet5 – begrijpelijk. De beschikking plaatst de enquêtegerechtigden uiteraard wel voor het probleem hoe zij, in geval de curator te kennen heeft gegeven niet bereid te zijn de onderzoekskosten te voldoen6, aan de benodigde fondsen komen om het onderzoek te bekostigen.7 De Ondernemingskamer gunt hen wat dit betreft een termijn en staat hen toe het verzoek in te trekken respectievelijk beëindigt op hun verzoek de procedure zolang de onderzoeker nog niet met zijn werkzaamheden is begonnen.8