De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.1:3.2.1 Inleiding
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.1
3.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384880:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 31 mei 1956, houdende wettelijke regeling in zake stichtingen (Wet op stichtingen),Stb. 1956, 327.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste algemene wettelijke regeling van de stichting is de Wet op stichtingen 1956 (WS 1956).1 Deze wet kwam tot stand in nauw verband met de eerste fase van Boek 2 BW: het Ontwerp Meijers en de Vaststellingswet Boek 2 BW, die in 1960 werd aangenomen (waarover hierna meer). Boek 2 BW trad echter pas in werking met de Invoeringswet Boek 2 BW in 1976. De regeling van het stichtingenrecht werd, in afwachting van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, in eerste instantie opgenomen in een afzonderlijke wet met de bedoeling om deze te zijner tijd onder te brengen in een eigen titel in Boek 2 BW.
De structuur en de bepalingen van de WS 1956 zijn voor een belangrijk deel nog terug te zien in het huidige stichtingenrecht, dat wil zeggen in titel 6 van Boek 2 BW. Daarbij valt het volgende op:
In de WS 1956 werden de thans nog geldende materiële kenmerken van de stichting opgenomen (de wettelijke omschrijving van de stichting in artikel 1WS 1956 en in artikel 2:285 BW lijken op elkaar). Eén van deze kenmerken is het ledenverbod, waarmee de stichting zich in organisatorische zin onderscheidt van andere rechtspersonen, die een zogenoemd corporatief karakter hebben.
De WS 1956 gaat uit van dezelfde basale organisatiestructuur als het huidige stichtingenrecht: slechts één orgaan, het bestuur, is wettelijk voorgeschreven.
De WS 1956 bevat bepalingen ter compensatie van het ontbreken van een “tweede orgaan” naast het bestuur: de WS 1956 kent bevoegdheden toe aan het openbaar ministerie en aan belanghebbenden om het bestuur te corrigeren via de rechter, welke bevoegdheden vergelijkbaar zijn met de bevoegdheden die zijn opgenomen in het huidige stichtingenrecht.
Op een aantal bepalingen uit de WS 1956 en de achtergrond van die bepalingen wordt hierna ingegaan.