Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/9.7
9.7 Aansprakelijkheid van de algemene vergadering van aandeelhouders?
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS303767:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van der Grinten/Kortmann 2004, nr. 145; Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 113. Zie over de hevige discussie die hieromtrent in de negentiende en aan het begin van de twintigste eeuw werd gevoerd: Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nrs. 1, 2 en 112; Timmerman 2000, p. 115-124.
HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 (Kleuterschool Babbel) m.nt. Brunner; HR 11 november 2005, NJ 2007, 231 m.nt. Vranken (Voorsluijs). Zie over dit criterium uitgebreid: De Valk 2009, p. 46-65.
Zie voor de voorwaarden voor de onrechtmatige daad: hoofdstuk 7, paragraaf 7.6.
Zie in dit verband hoofdstuk 6, paragraaf 6.4.2.
HR 25 november 1927, NJ 1928, 364 m.nt. Scholten (Kretzschmar/Mendes de Leon ). Hier wijdt de Hoge Raad uitgebreide overwegingen aan de vraag of een bestuurder en commissaris naast de vennootschap aansprakelijk kunnen zijn: ‘O. ten aanzien van het principale cassatiemiddel in de eerste zaak:dat het Hof inderdaad aan art. 45, eerste lid, K. een te wijde strekking heeft toegekend, daar toch dit wetsvoorschrift, evenals art. 32 van den Code de Commerce, waaraan het is ontleend, niet anders bedoelt dan duidelijk te doen uitkomen, dat in normale gevallen bestuurders van eene N.V., handelende in deze hunne qualiteit, niet zich zelf doch slechts de N. V. aan derden verbinden, zoodat de vraag of de bestuurder voor een door hem in verband met zijne functie gepleegde onrechtmatige daad hetzij alleen, hetzij naast de vennootschap, persoonlijk aansprakelijk is, in die wetsbepaling haar oplossing niet vindt;dat wel is waar het tweede lid van art. 45 in het Fransche recht niet bekend was, doch uit niets blijkt, dat onze wetgever, toen hij in het Wetboek van Koophandel dit tweede lid invoegde, daarmede iets anders heeft beoogd dan buiten twijfel te stellen, dat in die daar bedoelde gevallen, wanneer veelal de N. V. niet verbonden zal zijn, eene aansprakelijkheid tot schadevergoeding voor de bestuurders bestaat;dat dit echter niet wegneemt, dat de beslissing van het Hof juist is, wanneer gedeeld moet worden de namens de verweerders in cassatie bij pleidooi voorgedragen leer, dat bestuurders van een rechtspersoon nimmer persoonlijk aansprakelijk kunnen zijn voor handelingen door hen in deze qualiteit, dus als orgaan van die rechtspersoon, verricht, daar toch uit dergelijke handelingen alleen eene aansprakelijkheid van de rechtspersoon kan geboren worden en deze aansprakelijkheid eene aansprakelijkheid der bestuurders zou uitsluiten;dat, ofschoon betwijfeld mag worden of ten tijde, dat het Wetboek van Koophandel tot stand kwam, door den wetgever de leer gehuldigd werd, dat de bestuurders van een rechtspersoon waren te beschouwen als het “orgaan” en niet veeleer als lasthebbers dier vennootschap, dit niet wegneemt, dat eene N.V., gelijk andere rechtspersonen, wordt verbonden door de handelingen van de bestuurders binnen den kring hunner bevoegdheid verricht, zelfs waar het geldt aansprakelijkheid uit onrechtmatige daden:dat in een dergelijk geval de bestuurders geenszins steeds daarnevens persoonlijk aansprakelijk zullen zijn, omdat, hetgeen zij als bestuurders hebben verricht, ook al heeft dit tengevolge dat het door hen vertegenwoordigd lichaam geacht moet worden eene onrechtmatige daad te hebben gepleegd, niet steeds van dien aard is, dat zij daardoor geacht kunnen worden persoonlijk eene onrechtmatige handeling te hebben gepleegd, maar dat ten deze zulk eene onrechtmatige daad wèl aanwezig is, wanneer de gestelde feiten juist zijn;dat toch een bestuurder, die tegen beter weten in, althans beter moetende weten, een geheel scheeve voorstelling geeft van den staat van zaken in de door hem bestuurde N.V., en daardoor een derde beweegt om daarin à pari aandeelen te nemen, die ten hoogste 15% waard waren, eene handeling verricht, die de wet als onrechtmatig stempelt en dit wèl, onverschillig of hij handelt ten eigen behoeve dan wel voor anderen of zelfs als “orgaan” van een rechtspersoon;dat uit het hierboven overwogene volgt, dat nu den directeuren werd telastegelegd wat zoo-even is aangegeven, het Hof ten onrechte de ingestelde eisch, ten aanzien der verweerders in cassatie Mr. F. Mendes de Leon, F.A. Reichard en J.F.D. Brouha, niet ontvankelijk heeft verklaard, doch dat de eisch tegen de commissarissen terecht in het arrest ontvankelijk is geacht’ [onderstreping BK].
HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 m.nt.Maeijer (Nimox/Van den End q.q.) (‘Opmerking verdient nog dat ook indien het besluit als zodanig geen aan Auditrade toe te rekenen onrechtmatige daad zou zijn, zulks geenszins zou uitsluiten dat het tot stand brengen van het besluit door de enige aandeelhouder onrechtmatig was tegenover schuldeisers van de vennootschap.’).
De reden dat deze overweging terugkomt in het Nimox-arrest lijkt te zijn gelegen in het feit dat de curator een verklaring voor recht had gevorderd dat het besluit betreffende de dividenduitkering onrechtmatig was. Naar de visie van de rechtbank impliceert dit dat ook de stemuitbrenging door de (enig) aandeelhouder onrechtmatig was. Maeijer overweegt dat de Hoge Raad hiermee aangeeft dat het eenvoudiger kan, namelijk dat de curator zich rechtstreeks kan richten tot de aandeelhouder, omdat het tot stand brengen van het besluit onrechtmatig was, waarbij de vraag of het besluit onrechtmatig was (van de vennootschap) niet aan de orde behoeft te komen. Volgens mij is dit in zoverre juist, dat het een aparte vraag (en toets) is of de aandeelhouder aansprakelijk kan worden gesteld, maar dit neemt niet weg dat wanneer de aandeelhouder onrechtmatig heeft gehandeld door een besluit tot stand te brengen, waarbij de onrechtmatigheid het gevolg is van de inhoud van het besluit, het besluit op zichzelf ook een onrechtmatige daad van de vennootschap jegens een derde moet zijn.
Besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de vennootschap en de bij haar betrokken belanghebbenden. Belanghebbenden bij de vennootschap kunnen als gevolg van dergelijke besluiten schade lijden die zij vergoed willen zien. Een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders is een rechtshandeling van de vennootschap en moet dus in beginsel ook aan de vennootschap worden toegerekend. De eerste vraag is of een onrechtmatige daad wel kan worden toegerekend aan een rechtspersoon, die zelf immers niet kan handelen in feitelijke zin. Thans wordt algemeen aangenomen dat dit het geval is,1 waarbij door de Hoge Raad het ‘maatschappelijk verkeerscriterium’ wordt gehanteerd.2 Dit betekent dat de belanghebbende die schade heeft geleden in beginsel de vennootschap kan (en moet) aanspreken wanneer hij die schade vergoed wenst te zien. Daarvoor zal moeten zijn voldaan aan de voorwaarden voor de onrechtmatige daad3 en moet de belanghebbende een voldoende belang hebben.4
De vraag is onder welke omstandigheden de leden van het orgaan, hier in het bijzonder de aandeelhouders als leden van de algemene vergadering van aandeelhouders, aansprakelijk kunnen worden gehouden. Door de Hoge Raad is in 1927 al bevestigd dat leden van het orgaan, in die situatie bestuurders en commissarissen, naast de vennootschap persoonlijk aansprakelijk kunnen zijn.5 Aansprakelijkheid van de vennootschap betekent derhalve niet dat aansprakelijkheid van de leden van de organen van de vennootschap is uitgesloten. Een andere vraag is of aandeelhouders op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kunnen zijn wanneer het door de algemene vergadering genomen besluit geen onrechtmatige daad van de rechtspersoon oplevert. Lees ik de overweging van de Hoge Raad in het Nimox-arrest goed, dan overweegt hij dat zelfs wanneer het besluit van de rechtspersoon niet als een onrechtmatige daad tegenover de derde kwalificeert, niet uitgesloten is dat het tot stand brengen van het besluit door de aandeelhouder een onrechtmatige daad is.6 Het is lastig om een situatie voor te stellen waarin het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders, dat moet worden toegerekend aan de vennootschap, geen onrechtmatige daad jegens een derde oplevert, maar de aandeelhouder die het besluit tot stand heeft laten komen door die totstandkoming wel een onrechtmatige daad pleegt jegens diezelfde derde. In tegenstelling tot de Hoge Raad (en Maeijer in zijn noot onder het arrest), zou ik menen dat deze vragen juist wel verband met elkaar houden, in ieder geval feitelijk.7 Als het besluit niet onrechtmatig is, dan kan het meewerken aan de totstandbrenging van het besluit mijns inziens ook niet onrechtmatig zijn. Waaruit vloeit dan immers de schade voort?
De door individu en orgaan te behartigen belangen verschillen. De algemene vergadering van aandeelhouders dient zich te richten op het vennootschappelijk belang, terwijl de individuele aandeelhouder zich in beginsel mag richten op zijn eigen belang. Met dit verschil in uitgangspunten tussen orgaan en individu dient rekening te worden gehouden wanneer de aansprakelijkheid van individu en orgaan wordt bestudeerd. Bij het vaststellen van het vennootschappelijk belang zal in de regel in verregaande mate rekening moeten worden gehouden met de belangen van belanghebbenden bij de vennootschap dan wanneer de aandeelhouder zijn eigen belang mag vaststellen. Dit betekent dat de algemene vergadering van aandeelhouders in verdergaande mate rekening moet houden met andere belangen, die terugkomen in het vennootschappelijk belang, dan de individuele aandeelhouder, en een verantwoordelijkheid heeft die belangen in ogenschouw te nemen. De redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid spelen vervolgens voor zowel orgaan als individu een gedragsnormerende rol, maar de mate van invloed zal ook afhankelijk zijn van het antwoord op de vraag in hoeverre bij het bepalen van het te behartigen belang rekening moet worden gehouden met de geschade belangen, waarbij de in hoofdstuk 6 uiteengezette omstandigheden een rol spelen. Dit leidt tot de conclusie dat in de regel het orgaan eerder een onrechtmatige gedraging zal plegen dan het individu, omdat aan het individu in tegenstelling tot het orgaan de vrijheid toekomt om in beginsel zijn eigen belang te behartigen.
Wanneer door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders een onrechtmatige daad wordt gepleegd, moet deze worden toegerekend aan de vennootschap. De vennootschap pleegt dan de onrechtmatige daad. De aandeelhouders die het besluit tot stand hebben laten komen, kunnen echter door dit te doen zelf eveneens een onrechtmatige daad plegen. Daarvoor hoeft niet vast te staan dat het besluit een onrechtmatige daad is, maar dit zal in de regel wel het geval zijn. De rechter hoeft het alleen niet te toetsen, omdat het antwoord op de vraag of het besluit een onrechtmatige daad tot gevolg heeft geen onderdeel uitmaakt van het geschil.