Grensoverschrijdende overgang van onderneming
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.3.6:7.3.6 Vestiging indienstneming
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.3.6
7.3.6 Vestiging indienstneming
Documentgegevens:
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS432195:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deinert 2013, p. 150.
HvJ EU 15 december 2011, NJ 2012, 273 m.nt. M.V. Polak en JAR 2012/75 (Voogsgeerd/Navimer) punt 66.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Pas als niet kan worden vastgesteld waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht dient krachtens artikel 8 lid 3 Rome I-Verordening te worden aangeknoopt bij de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen. Het toepassingsbereik van de vestiging van indienstneming is zeer beperkt.1
In arrest Voogsgeerd/Navimer heeft het Hof van Justitie artikel 6 lid 2 onderdeel b EVO (inmiddels artikel 8 lid 3 Rome I-Verordening) nader uitgelegd.2 Het Hof van Justitie heeft geoordeeld:
‘Voor het geval dat de verwijzende rechter van mening zou zijn dat hij het bij hem aanhangige geding niet kan beslechten op grond van artikel 6, lid 2, sub a, van dat verdrag, dient artikel 6, lid 2, sub b, van dat verdrag te worden uitgelegd als volgt:
het begrip “vestiging van de werkgever die de werknemer in dienst heeft genomen” moet aldus worden opgevat dat het uitsluitend verwijst naar de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, en niet naar die waaraan de werknemer voor zijn effectieve tewerkstelling is verbonden;
het bezit van rechtspersoonlijkheid is geen vereiste waaraan de vestiging van de werkgever in de zin van deze bepaling moet voldoen;
de vestiging van een andere onderneming dan die welke formeel als werkgever wordt genoemd, waarmee laatstgenoemde onderneming banden heeft, kan als “vestiging” in de zin van artikel 6, lid 2, sub b, van dat verdrag worden aangemerkt indien aan de hand van objectieve elementen kan worden aangetoond dat de werkelijke situatie verschilt van die welke uit de bewoordingen van de overeenkomst blijkt, zelfs indien het werkgeversgezag niet formeel aan die andere onderneming is overgedragen.’