Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.5.2:5.5.2 De onderzoeksplicht en klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.5.2
5.5.2 De onderzoeksplicht en klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973563:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In par. 5.2 werd aandacht besteed aan de onderzoeksplicht en klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. In hoofdstuk 3 kwam naar voren dat over de band van een geobjectiveerd aanvangsmoment van de klachttermijn (door het aannemen van een onderzoeksplicht) soms klachtplichtberoepen worden gehonoreerd, waardoor het verjaringsrecht de pas wordt afgesneden. Dat zou kwestieus gevonden kunnen worden wanneer een schuldeiser al te gemakkelijk op grond van art. 6:89 of 7:23 lid 1 BW een onderzoeksplicht opgelegd wordt. Ik kom echter tot de conclusie dat met het aannemen van een onderzoeksplicht niet licht lijkt te worden omgesprongen. Weliswaar wordt zelfs in gevallen waarin op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad de meeste terughoudendheid moet worden betracht met het opleggen van een onderzoeksplicht nog weleens een onderzoeksplicht aangenomen. Mijn indruk van de gepubliceerde rechtspraak in feitelijke instanties is evenwel dat vooral in voor de hand liggende gevallen met zo’n geobjectiveerd aanvangsmoment van de klachttermijn wordt gewerkt.
Vervolgens ging ik in par. 5.2 in op de uitgangspunten voor bepaling van de lengte van de klachttermijn. Ik concludeerde dat de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin voor de indamming van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW vooral is gesleuteld aan die termijn, effectief is. De rechter kan er eigenlijk alle kanten mee op, temeer omdat de Hoge Raad de bepaling van de lengte van de termijn in feite tot een soort belangenafweging omtovert. Vooral dit beoordelingskader heeft ertoe geleid dat honorering van een klachtplichtberoep een uitzonderingskarakter heeft gekregen, wat past bij het rechtsverwerkingskarakter van de klachtplichten. In zoverre dient deze rechtspraak zijn doel.
Toch is er ruimte voor kritiek. De focus op de termijn heeft als risico dat we uit het oog verliezen dat de klachtplichten zijn geschreven voor gevallen met een scherp omlijnd klaagmoment. Voor die gevallen is tijdsverloop, of de lengte van een in het gegeven geval in acht genomen klachttermijn, niet het scharnierpunt waarop een klachtplichtberoep moet worden beoordeeld. Het gaat om het missen van een specifiek klachtmoment met onomkeerbare gevolgen. Op dat moment brengt de aan de klachtplichten ten grondslag liggende consistentieplicht mee dat de schuldeiser gehouden is zich uit te spreken. In rechtspraak in feitelijke instanties leidt de benadering van de Hoge Raad soms tot een onnodige focus op de termijn.
Tot slot ging ik in op het gewicht van de nadeelfactor bij de bepaling van de klachttermijn. Ik concludeerde dat de nadeelfactor eigenlijk niet weg is te denken bij de beoordeling van de redelijkheid van de in acht genomen klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. Dat valt toe te juichen. De klachtplichten moeten in feite geschaard worden onder de rechtsverwerkingscategorie waarbij onredelijke schuldenaarsbenadeling als gevolg van het handelen van de schuldeiser het hem belet om zijn vordering nog geldend te maken. Daarbij past dat in afwezigheid van schuldenaarsnadeel een klachtplichtberoep niet kan worden gehonoreerd. Dat sluit ook aan bij het proportionele karakter van Obliegenheiten.