Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/5.1.1.1:5.1.1.1 Op welke gehoren worden hoormedewerkers ingezet?
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/5.1.1.1
5.1.1.1 Op welke gehoren worden hoormedewerkers ingezet?
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180211:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Z8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De twee gehoren die de IND met de asielzoeker houdt, worden niet noodzakelijkerwijs door dezelfde hoormedewerker afgenomen. Dit is echter ook niet uitgesloten. Hiervoor bestaan, voor zover ik heb kunnen achterhalen, geen (interne) regels. De individuele hoormedewerker van de IND heeft in beginsel weinig invloed op de keuze welk gehoor hij op een dag verricht. Dit ziet hij op het rooster. Het rooster wordt dagelijks gemaakt en gedurende de dag bijgewerkt door de planafdeling van het betreffende IND kantoor. De medewerkers op de planafdeling zorgen ervoor dat alle processtappen die in het kader van de Algemene Asielprocedure op een dag moeten worden gezet, zijn toebedeeld aan één medewerker. De planning wordt gemaakt op basis van de processtappen die op een dag in verschillende asielprocedures moeten worden gezet en de beschikbaarheid van medewerkers. De hoormedewerkers zien meestal een dag van tevoren definitief wie zij de volgende dag zullen horen. Dit kan in uitzonderlijke gevallen op de dag zelf nog veranderen, bijvoorbeeld vanwege ziekte van een asielzoeker of van een collega.
Informeel kunnen hoormedewerkers wel verzoeken om al dan niet te worden ingeroosterd op het horen van een bepaalde asielzoeker. Zo is het tijdens mijn onderzoeksperiode voorgekomen dat een medewerker aan de planafdeling verzocht om te worden ‘uitgeroosterd’ op een nader gehoor, omdat zij zich tijdens het eerste gehoor had geërgerd aan de asielzoeker. Ze was daardoor bang het gehoor niet objectief genoeg te kunnen afnemen. In een ander geval vroeg een zeer ervaren medewerker juist om ingeroosterd te worden op een gehoor, omdat de asielzoeker afkomstig was uit een land waaruit weinig asielzoekers afkomstig zijn. Ze vond het daarom belangrijk dat zij als ervaren medewerker het gehoor zou afnemen. In de regel gaat de IND-medewerker echter aan de slag met het dossier dat hij die ochtend in zijn postvakje aantreft. Er bestaan geen openbare instructies waarin is voorgeschreven in welke gevallen een hoormedewerker zich moet verschonen van het afnemen van een gehoor, omdat hij mogelijk niet objectief kan zijn. Uit het bovenstaande blijkt wel dat er ruimte bestaat voor medewerkers zelf, om invulling te geven aan de eisen van objectiviteit.
De hoormedewerkers worden door de IND in beginsel opgeleid om alle soorten gehoren die in de asielprocedure kunnen voorkomen, te kunnen uitvoeren. In de praktijk wordt er door de IND uit bedrijfsmatige overwegingen soms voor gekozen om bepaalde typen medewerkers uitsluitend op een bepaalde soort gehoren in te zetten. Zo werden tijdens mijn onderzoeksperiode veel relatief nieuwe en tijdelijk gedetacheerde medewerkers uitsluitend ingezet op gehoren met Syrische en Eritrese asielzoekers. Syriërs en Eritreeërs vormden gedurende mijn onderzoeksperiode veruit de grootste groepen asielzoekers. Deze tijdelijke medewerkers begonnen over het algemeen met afnemen van eerste gehoren en na enige tijd mochten ze ook nadere gehoren doen. De meeste van hen waren (nog) niet opgeleid om ook te beslissen op asielaanvragen. Onder de vaste medewerkers van de IND stonden gehoren met Syriërs en Eritreeërs bekend als weinig ‘inhoudelijk’, omdat tijdens die gehoren weinig aandacht uitging naar het individuele relaas van de asielzoeker. Vooral gehoren met Syrische asielzoekers werden door de IND als relatief eenvoudig beschouwd. De situatie in Syrië was (en is) uitzonderlijk slecht, waardoor een beschermingsbehoefte al snel werd aangenomen. Het uitgebreid en kritisch verzamelen van informatie over het individuele relaas van de asielzoeker werd voor de beoordeling van zijn aanvraag om die reden vaak ondergeschikt geacht aan het vaststellen van zijn herkomst. In de praktijk betekende dit dat de IND zich in de meeste gehoren met deze asielzoekers, vooral beperkte tot het beantwoorden van de vraag of ze echt uit Syrië afkomstig zijn. Een medewerker zei hierover het volgende:
R: De accenten zijn wel aan het veranderen omdat het een extreem drukke periode is. […] Toen ik in 2009 voor de IND begon te werken, was er een hele andere nationaliteitengroep die de hoofdmoot vormde. Toen moesten we echt alles tot in den treure uitvragen. Terwijl het nu, vooral met Syriërs is het van 1) zijn het Syriërs? en 2) voldoen ze dan aan ‘dit’ en ‘dit’ en ‘dit’? Dan is het klaar. Dan hoef je niet zoveel meer te doen.1
Dat hoormedewerkers niet het hele relaas van Syrische asielzoekers in alle gevallen relevant bevonden, leverde soms vreemde situaties op. Tijdens een gehoor dat ik in Zevenaar bijwoonde, werd een man door een hoormedewerker gevraagd waarom hij Syrië was ontvlucht. Daarop antwoordde hij dat zijn huis was verwoest door bombardementen. De hoormedewerker reageerde daarop door te zeggen dat de IND ‘bekend is met de algemene situatie in Syrië’ en vroeg de man zich te beperken tot zijn ‘individuele problemen’. De asielzoeker begreep uiteraard weinig van deze opmerking, de vernieling van zijn huis vormde voor hem de ‘individuele’ reden om Syrië te verlaten. De medewerker reageerde op deze manier, omdat verhalen over bombardementen in een groot aantal verhalen van Syrische asielzoekers voorkwamen. In veruit de meeste gevallen waren deze bombardementen natuurlijk niet specifiek op de asielzoeker gericht, maar op alle inwoners van een bepaalde wijk of stad. De hoormedewerker was geconditioneerd om tijdens gehoren met Syriërs alleen te vragen die aspecten van het relaas die mogelijk tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de asielzoeker niet uitsluitend slachtoffer is van generiek geweld, maar als individu het risico loopt te worden vervolgd of anderszins in de negatieve belangstelling van de autoriteiten of anderen. Die informatie stelt de beslismedewerker in staat om te bepalen voor welke status de asielzoeker in aanmerking komt. Waarschijnlijk betreft dit voorbeeld een incidentele vergissing van een onervaren medewerker, maar het geeft een goede indruk van de wijze waarop de individuele medewerker invloed kan uitoefen op de informatieverzameling.
Op gehoren met asielzoekers uit andere landen dan Syrië en Eritrea werden gedurende mijn onderzoeksperiode vooral meer ervaren medewerkers ingezet. IND-medewerkers typeerden deze gehoren als ‘inhoudelijker’. Daarnaast zeiden veel van de meer ervaren medewerkers, dat zij meer dan voorafgaand aan mijn onderzoeksperiode gebruikelijk was, uitsluitend te worden ingezet als beslismedewerker. De gehoren werden vooral door de minder ervaren medewerkers afgenomen, die nog niet opgeleid waren als beslisser. Ervaren medewerkers werden ook vaker ingezet om aanvullend te horen in de Verlengde Asielprocedure, vanuit de gedachte dat ook deze gehoren ‘inhoudelijker’ zijn.
Ten slotte besteedden de meer ervaren hoormedewerkers veel tijd als coach voor minder ervaren medewerkers. Dit hield in dat zij beschikbaar moesten zijn voor minder ervaren medewerkers om vragen te beantwoorden. De minder ervaren medewerkers overlegden tijdens de pauzes van het gehoor met hun coach en konden ook tijdens het gehoor per e-mail vragen stellen.
Voordat de minder ervaren medewerker het gehoor mag afronden, moest de coach zijn handtekening onder het rapport van het gehoor zetten.