Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.3
8.3 Aanvragen om een begunstigend besluit
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284561:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De opsomming is niet limitatief. De burger verzoekt de overheid soms ook tot het nemen van andersoortige voor hem gunstige besluiten, zoals het nemen van handhavingsbesluiten jegens derden. De systematiek en relativiteitsvraag is voor dat type besluiten volgens mij hetzelfde. Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2007 (Geologistiek B.V./Baarn) waarin het gaat om een verzoek tot handhaving van milieuregelgeving. De bestuursrechtelijke norm vereist dat de overheid naar aanleiding van zo’n verzoek in beginsel handhaaft. Het hof toetst in het kader van de relativiteitsvraag echter niet waartoe die norm strekt, maar gaat na waartoe de regels strekken waarvan via het besluit handhaving wordt verzocht. Het hof springt zo dus eigenlijk naar de strekking van het besluit: wie en wat beoogt het besluit met de handhaving te beschermen? Die sprong strookt met mijn model voor de onder (ii) genoemde gevallen, zoals we hierna zullen zien.
582. Hoe werkt het driestapsmodel bij aanvragen om een begunstigend besluit? In §5.2.1 en 5.2.2.3 zagen we dat deze categorie in hoofdzaak1 weer uiteenvalt in twee groepen:
Besluiten die een vrijstelling verlenen van een algemeen verbod;
Besluiten waarbij een op het publiekrecht gegrond subjectief recht toegekend wordt dat niet voorafgegaan wordt door een algemeen verbod.
583. In hoofdstuk 5 nam ik aan dat op het overheidslichaam waarbij een aanvraag om een begunstigend besluit gedaan wordt de algemene ongeschreven zorgvuldigheidsnorm rust daarop meteen bij besluit in primo conform het recht te beslissen op basis van de omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit en op grond van de kennis die het overheidslichaam op dat moment heeft of behoort te hebben. Ik spreek hierna kortheidshalve van de ‘norm’ of ‘zorgvuldigheidsnorm’. De norm vormt voor beide (sub)categorieën de basis voor uitvoering van de driestapstoets.
We zagen §5.2.2.1 en 5.2.2.3 dat deze norm uiteraard niet uitsluit dat de beslissing op een aanvraag om een begunstigend besluit ook onrechtmatig kan zijn wegens schending van bestuursrechtelijke normen. Omdat die normen vaak strekken tot bescherming van anderen dan de aanvrager, loopt een daarop gebaseerde vordering veelal vast op de relativiteit. Voorts absorbeert de zorgvuldigheidsnorm de geschonden bestuursrechtelijke norm in zekere zin. Als het besluit bijvoorbeeld strijdt met het vertrouwensbeginsel, handelt het overheidslichaam (ook) onrechtmatig, omdat op de aanvraag niet conform het recht is beslist.
8.3.1 Besluiten op aanvraag die vrijstelling verlenen van algemeen verbod8.3.2 Besluiten op aanvraag die strekken tot verkrijging van een publiekrechtelijk subjectief recht8.3.3 Tussenconclusie begunstigende besluiten op aanvraag