Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.1.3
7.1.3 Ontnemingszaken
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617867:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
In art. 511e, lid 1, Sv is de titel waarvan art. 359a Sv deel uitmaakt van overeenkomstige toepassing verklaard. Zie ook HR 20 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1540, NJ 1999/ 472.
Zo stelt AG Fokkens in zijn conclusie voor HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501, NJ 1999/589.
Zie HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501, NJ 1999/589 (verweer dat OM in hoofdzaak niet-ontvankelijk was verklaard zou de rechter hebben geweten dat informatie die ten grondslag lag aan die strafzaak op onreglementaire wijze is verkregen, wegens gebrek aan toezicht door de OvJ op een informant, om reden waarvan het OM zou hebben afgezien van vervolging van andere betrokkenen) en HR 2 maart 2010, ECLI: NL:HR:2010:BK3424, NJ 2011/100 m.nt. Borgers (verweer betreffende verkrijging getuigenverklaringen is geen specifiek de ontnemingsvordering betreffend verweer waarop de rechter uitdrukkelijk en gemotiveerd moet beslissen).
Zie HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501, NJ 1999/589 en HR 13 juni 2006, ECLI: NL:HR:2006:AV6199, NJ 2006/370.
Zie HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6199, NJ 2006/370.
Zie HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9900, NJ 2011/201.
Zie HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251.
Zie bijv. HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9438.
Vgl. HR 20 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1540, NJ 1999/472.
Zie HR 4 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8661, NJ 2006/159.
Art. 359a Sv is ook van toepassing in de ontnemingsprocedure.1 Daar stelt de inhoudelijke begrenzing van hetgeen inzet is van de ontnemingsprocedure (te weten of en, zo ja, tot welk bedrag een ontnemingsmaatregel moet worden opgelegd) wel beperkingen aan de mogelijkheid van een beroep op deze bepaling. Vermeden moet worden dat opnieuw wordt geprocedeerd over de vragen die de rechter in de hoofdzaak al heeft moeten beantwoorden. De rechtspraak van de Hoge Raad is streng in het voorkomen van een dergelijke herhaling van zetten. De beoordeling van het voorbereidend onderzoek dat aan de hoofdzaak ten grondslag ligt, is in de ontnemingsprocedure in beginsel een gepasseerd station. Verweren gericht op de beslissingen die in het kader van de hoofdzaak genomen moeten worden, horen in die procedure thuis en niet in de ontnemingszaak.2
Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad komt de ontnemingsrechter een zelfstandig oordeel toe over alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, maar is hij voor het overige gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak.3 Dat betekent dat de ontnemingsrechter steeds zal moeten nagaan of sprake is van een verweer dat, zoals de Hoge Raad heeft geformuleerd ‘rechtstreeks betrekking heeft op de ontnemingsvordering’.4 Aan die eis voldoet bijvoorbeeld niet het verweer ‘dat zich in het opsporingsonderzoek zodanige onregelmatigheden hebben voorgedaan dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ in zijn vervolging, althans tot matiging van de eventueel op te leggen betalingsverplichting’.5 Wel kan ook in de ontnemingsprocedure ten aanzien van verklaringen van de betrokkene die relevant zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel een beroep worden gedaan op de zogenaamde Salduz-rechtspraak. 6 Voor toepasselijkheid van art. 359a Sv geldt ook in de ontnemingsprocedure de voorwaarde dat het moet gaan om een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Daaronder valt niet het verzuim van de OvJ tijdig zijn voornemen kenbaar te maken een vordering ex art. 36e Sr aanhangig te zullen maken.7
Bijzondere aandacht verdient in de ontnemingsprocedure dat duidelijk moet zijn dat een beroep wordt gedaan op art. 359a Sv. In de ontnemingsprocedure kan de stelling dat een bepaalde gang van zaken in het voorbereidend onderzoek tot matiging van het ontnemingsbedrag moet leiden gemakkelijk verwarring wekken als dat verzoek niet expliciet op art. 359a Sv wordt gegrond. 8 De eisen aan een verweer in de zin van art. 359a Sv worden in paragraaf 7.6 nader besproken.
In de ontnemingsprocedure kan dus geen beroep worden gedaan op vormverzuimen die zouden hebben moeten leiden tot een rechtsgevolg in de hoofdzaak. Ook niet – en hierin komt het strikte karakter van deze rechtspraak scherp tot uitdrukking – als de desbetreffende vormverzuimen de verdediging pas na het onherroepelijk worden van de beslissing in de hoofdzaak ter kennis zijn gekomen.9 Herziening van een ontnemingsbeslissing op de voet van art. 457 Sv is niet mogelijk, zodat in een dergelijk geval alleen een verzoek om kwijtschelding of vermindering van het te betalen bedrag kan worden verzocht op de voet van art. 577b, tweede lid, Sv.10 In dat kader lijkt me voor een beroep op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in beginsel geen plaats.
De rechtspraak van de Hoge Raad beoogt concentratie te bevorderen op de in de ontnemingsprocedure voorliggende kernvragen of en, zo ja, tot welk bedrag de vordering moet worden toegewezen. Voor een (herhaalde) breed uitwaaierende controle op het optreden van politie en OM in het voorbereidend onderzoek, is in de ontnemingsprocedure geen plaats. Voor die beperking en de striktheid waarmee daaraan de hand wordt gehouden is veel te zeggen. De nadelen die verbonden zouden zijn aan het bieden van de gelegenheid om verweren die in de hoofdzaak aan de orde konden komen dunnetjes over te doen in de ontnemingszaak, wegen zwaarder dan de voordelen daarvan. Dat zou veel capaciteit vergen van de rechter en de procesdeelnemers, terwijl de meerwaarde die vooral zou bestaan in het alsnog kunnen ontdekken en redresseren van vormfouten die in de hoofdzaak onbelicht zijn gebleven, beperkt is. Het bestaan van andere procedures (met name de hoofdzaak vooraf, maar misschien heeft ook enige betekenis art. 577b, tweede lid, Sv achteraf), maakt aanvaardbaar de omvang en intensiteit van de controle op vormfouten in de ontnemingsprocedure beperkt te houden. Ook stimuleert deze striktheid tot concentratie op de relevante verweren in de meest gerede procedure.