Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.4
3.4 Gevolgen van de invoering van artikel 2:349a lid 2 BW
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196892:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Geerts 2004, 1.5; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/765; Storm 2018, 2.3.7.1, laatste alinea.
In de periode van 1994 tot en met 2007 is in 74% van het totale aantal enquêtezaken verzocht om het treffen van onmiddellijke voorzieningen (Rapport Cools/Kroeze 2009, 5.8).
Rapport Cools/Kroeze 2009, 5.7.
Daarvan geeft hij blijk in bijdragen aan het juridische debat, zie bijv. Willems, ATD, 2.6, 2.7, 4.2. Willems heeft in de periode van 1 januari 1996 tot 1 augustus 2009 als voorzitter leiding gegeven aan de rechtspraak van de Ondernemingskamer. In het kader van dit onderzoek is niet onderzocht of er een verband is tussen zijn aantreden in 1996 en de vanaf dat jaar toenemende aantallen enquêteverzoeken (Rapport Cools/Kroeze 2009, 5.8).
Geerts 2004, 5.1; Rapport Cools/Kroeze 2009, 4.1, Willems, ATD, 4.1.
[101] In de literatuur wordt vaak gewezen op de grote invloed die de invoering van artikel 2:349a lid 2 BW op de ontwikkeling van het enquêterecht heeft gehad.1 Dat deze wetswijziging een sterk effect kon hebben, heeft onder meer te maken met de populariteit van de mogelijkheid om een onmiddellijke voorziening te vragen.2 Onmiddellijke voorzieningen voorzien in een maatschappelijke behoefte.3 Die populariteit hoeft niet te verbazen: de in artikel 2:349a lid 2 BW gegeven bevoegdheid blijkt een flexibel instrument dat ruimhartig wordt gebruikt door de rechter. Bovendien is ingrijpen in een vroeg stadium mogelijk geworden. Het treffen van onmiddellijke voorzieningen leidt in de praktijk vaak tot een snelle en effectieve geschilbeslechting. Daaraan heeft bijgedragen, dat Willems veel oog heeft voor die praktische, faciliterende eigenschap van de onmiddellijke voorziening.4 De oorspronkelijke en meest zinvolle doelstelling van het enquêterecht, het herstel van gezonde verhoudingen, is door de invoering van artikel 2:349a lid 2 BW nieuw leven ingeblazen.5 Met de onmiddellijke voorziening kwam die doelstelling beter uit de verf dan voor 1994, toen men was aangewezen op de voorlopige voorziening van het kort geding. Dat effect bevestigt het bestaansrecht van de onmiddellijke voorziening naast de voorlopige voorziening.