Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.4.6
III.6.4.6 Tussenconclusie
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622758:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook de subsidiaire beschikkingen in het kader van een ‘verwerping’.
Zie in dit kader ook Suijling/Dubois 1931, nr. 144, waarin is opgemerkt dat aan nietigheid lijden: makingen onder voorwaarde dat een derde de beschikkingen goedkeurt of zich daartegen niet verzet. In noot twee bij deze opmerking wijst Suijling/Dubois evenwel ook op het van zijn mening afwijkende standpunt van ‘Aubry et Rau, X, 1918, 555, die alleen de van het willekeurig oordeel van een derde afhankelijk gestelde making nietig acht. Indien de derde naar redelijkheid heeft te beslissen, zou de voorwaarde geoorloofd zijn.’ Vgl. voorts Rombach 1969, p. 422, waarin Rombach verwijst naar Pothiers opvatting: ‘Zijn opvatting is aldus samen te vatten, dat hij alleen de zuiver potestatieve voorwaarde (mits Gij erfgenaam het wilt) uitgesloten acht, maar toelaat elke beslissing van de erfgenaam die afhangt van diens daden of zelfs alleen maar van billijkheidsregels, terwijl een derdegedelegeerde zelfs geheel vrij kan beslissen over een hem door de testateur toegekend vetorecht.’
Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771.
Het leerstuk van potestatieve voorwaarde speelt enkel een rol voor verbintenissen. Dit brengt mee dat de betekenis van de potestatieve voorwaarde voor het erfrecht zich strikt genomen beperkt tot erfrechtelijke verbintenissen, zoals die kunnen voortvloeien uit bijvoorbeeld het legaat. Erflater mag de werking van een erfrechtelijke verbintenis niet afhankelijk maken van louter de wil van degene die bij deze verbintenis verbonden is. Niettemin ben ik van mening dat in het leerstuk van de potestatieve voorwaarde evenwel doorschemert dat ook voor andere uiterste wilsbeschikkingen, die geen erfrechtelijke verbintenissen in het leven roepen, geldt dat een voorwaarde niet in strijd mag komen met het wezen van de beschikking (vgl. paragraaf 6.4.3). Zo volgt ook uit art. 3:38 lid 1 BW. Dit is bijvoorbeeld met betrekking tot de erfrechtelijke verbintenissen niet het geval wanneer de verbintenis afhankelijk is gemaakt van:
Een zogenoemde ontbindende potestatieve voorwaarde.1
De wil van iemand die niet bij een erfrechtelijke verbintenis verbonden is (zoals een derde).
Méér dan louter de wil van degene die verbonden is. Bijvoorbeeld van diens wil en de wil van anderen tezamen.
Het redelijk oordeel van degene die bij een erfrechtelijke verbintenis verbonden is.2
Maar komen de kaarten er misschien anders voor te liggen wanneer bij de vraag in hoeverre het mogelijk is om de werking van een uiterste wilsbeschikking afhankelijk te maken van andermans wil, ook het in de verantwoording van dit onderzoek genoemde willekeurcriterium in ogenschouw wordt genomen? De minister heeft immers in het kader van wilsdelegatie opgemerkt dat:
‘Het derde lid van artikel 4.3.1.2 regelt uitdrukkelijk dat een uiterste wilsbeschikking slechts door de erflater persoonlijk kan worden gemaakt. Daarmee blijft de mogelijkheid bestaan dat de erflater in zijn testament een derde aanwijst die zal bepalen wie van de verscheidene door de erflater genoemde personen het legaat zal genieten. Wat de erflater niet is toegestaan is zijn beschikking afhankelijk te stellen van de willekeur van een ander (curs. NB).’3
In de laatste zin van deze passage is een willekeurcriterium voor uiterste wilsbeschikkingen, of beter gezegd een willekeurverbod, neergelegd. Het zou erflater niet zijn toegestaan om zijn beschikking afhankelijk te maken van de willekeur van een ander. Wat betekent dit concreet voor wilsdelegatie ten aanzien van de werking van uiterste wilsbeschikkingen? Ik kom hierop terug in paragraaf 6.6.
Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre het erflater is toegestaan om wilsafhankelijke voorwaarden in zijn uiterste wil op te nemen, knoopte ik (na inspiratie te hebben gehaald uit het Duitse § 2065 I BGB) tot nu toe met name aan bij het leerstuk van de potestatieve voorwaarde. Dit leerstuk speelt een rol in het verbintenissenrecht en voor wat het erfrecht betreft heeft het dan ook strikt genomen enkel betekenis ten aanzien van erfrechtelijke verbintenissen. Zoals ik reeds in deze subparagraaf opmerkte, schemert in het leerstuk van de potestatieve voorwaarde evenwel ook door dat een voorwaarde niet in strijd mag komen met het wezen ofwel de aard van de uiterste wilsbeschikking (vgl. paragraaf 6.4.3). Dit volgt ook uit art. 3:38 lid 1 BW. Hoe staan de aard van de erfstelling en de last tegenover wilsafhankelijke voorwaarden?