Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.4.2:4.4.4.2 De plaatsbepaling van vervolgingsbeletselen
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.4.2
4.4.4.2 De plaatsbepaling van vervolgingsbeletselen
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946241:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De plaatsbepaling van vervolgingsbeletselen, en in het bijzonder de verdeling van vervolgingsbeletselen over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering, is geen onbetwist gedachtegoed. In het verleden is meermaals aandacht uitgegaan naar de vraag of bepaalde vervolgingsbeletselen tot het materiële recht behoren of strafvorderlijk verankerd zouden moeten worden. Een goed voorbeeld betreft de verjaring die in 1838 in het Wetboek van Strafvordering was geregeld, maar sinds 1 september 1886 zijn plaats heeft in het Wetboek van Strafrecht. Deze verplaatsing geschiedde op voorspraak van de Staatscommissie die het Wetboek van Strafrecht vormgaf. De Staatscommissie concludeerde dat het materiële recht moet leren of een recht (voort)bestaat en dat via strafprocesrecht uitsluitend de wijze van uitoefening van dat recht wordt ingekleed. Dit standpunt werd niet door de volledige Staatscommissie gedeeld en, ondanks dat de regering dit standpunt volgde, is daarop in de voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht de nodige kritiek geuit door de Raad van State, die meende dat de verjaringsregeling tot de procesorde behoorde.1 Ook bij andere vervolgingsbeletselen – waaronder de rechtsmacht, transactie en het klachtvereiste – zijn in het verleden (onderdelen van) regelingen verschoven tussen het formele en het materiële recht, dan wel binnen dat laatste deel.2 Het meest recente voorbeeld dat laat zien dat de plaatsbepaling van vervolgingsbeletselen niet in beton is gegoten betreft het beletsel om kinderen onder de 12 jaar te vervolgen, dat de wetgever in 1995 vanuit het toenmalige art. 77a Sr verplaatste naar art. 486 Sv.