Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.4.4.1
4.4.4.1 Een overzicht van de vervolgingsbeletselen
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946087:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een beschrijving van de uiteenlopende wijze waarop vervolgingsbeletselen kunnen worden gecategoriseerd bijvoorbeeld: Van Dorst 1989, p. 14-16; Cleiren & Van Male 1994, p. 67-68.
Van Dorst 1989, p. 16.
Zie hieromtrent meer uitgebreid: Van Dorst 1989, p. 19-104. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat het navolgende overzicht niet volledig aansluit op de uitgebreidere beschrijving door Van Dorst vanwege wijzigingen in wet en jurisprudentie die zijn gevolgd na die publicatie.
De wet biedt ruimte voor dit vervolgingsbeletsel doordat in art. 52 lid 2 Sr is verwoord dat vervolging en strafoplegging van rechtspersonen kan worden uitgesproken “indien zij daarvoor in aanmerking komen”. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat publiekrechtelijke rechtspersonen onder bepaalde omstandigheden ten aanzien van bepaalde gedragingen (die samenhangen met de uitvoering van een publieke taak) immuniteit genieten (HR 6 januari 1998, NJ 1998, 367).
Art. 70-73, 74 en 77 Sr.
Stb. 2004, 285, nadien gewijzigd: Stb. 2019, 67.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.3.
Stb. 1995, 357. Zie ook: Kamerstukken II 1989-1990, 21 327, nr. 3, p. 39
HR 15 februari 1949, NJ 1949/305.
Zie Corstens, Borgers & Kooijmans 2018, p. 233. Zie hierover meer uitgebreid: Franken 1993.
HR 3 december 2013, NJ 2014/44; HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:304 en Hof ’s-Hertogenbosch 7 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN0685.
Zie bijvoorbeeld Rb. Limburg, 26 februari 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:1757.
Zie Corstens, Borgers & Kooijmans 2018, p. 234.
HR 22 december 1981, NJ 1982/233.
HR 19 december 1995, NJ 1996/249.
HR 1 juni 1999, NJ 1999/567 en HR 3 juli 2001, NJ 2002/8.
Vervolgingsbeletselen kunnen op verschillende wijzen worden gecategoriseerd. Zo kan worden onderscheiden tussen gevallen waarin nooit een vervolgingsrecht ontstaat, gevallen waarin slechts onder voorwaarden een vervolgingsrecht ontstaat en de gevallen waarin een bestaand vervolgingsrecht door een later intredende oorzaak vervalt. Een andere mogelijke onderverdeling is die waarin de vervolging belet wordt door omstandigheden die zien op de persoon van de verdachte of die daarvan onafhankelijk bestaan. Er zijn daarnaast nog meer indelingen denkbaar.1 Van Dorst wijst er terecht op dat dit soort onderverdelingen met name betekenis krijgt binnen het gekozen perspectief.2 De schifting vindt immers plaats aan de hand van een gekozen criterium, waardoor één specifiek kenmerk van de vervolgingsbeletselen in het bijzonder voor het voetlicht wordt gebracht. Doel van dit onderzoek is echter niet om te duiden in hoeverre vervolgingsbeletselen ten aanzien van één kenmerk verschillen of overeenkomen. Het doel is te bezien hoe één vervolgingsbeletsel – het klachtvereiste – zich verhoudt tot andere vervolgingsbeletselen. De ‘catalogus’ die Van Dorst opstelde biedt een goed startpunt voor dit onderzoek. De vervolgingsbeletselen zijn daarin slechts beschreven aan de hand van de locatie waar deze zich bevinden. Hierna worden aan de hand van dat overzicht achtereenvolgens de vervolgingsbeletselen uit het Wetboek van Strafrecht, bijzondere strafwetgeving, het Wetboek van Strafvordering, verdragen en uit het ongeschreven recht kort benoemd om zicht te krijgen op het totaal aan vervolgingsbeletselen.3 Niet is beoogd om een uitgebreid artikelsgewijs commentaar te leveren op alle vervolgingsbeletselen. Centraal staat de zoektocht naar gemeenschappelijke kenmerken van en verschillen tussen de gronden die afbreuk kunnen doen aan het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie. Dit dient als voedingsbodem voor het onderzoek naar de plaats die het klachtvereiste inneemt binnen het bestel van vervolgingsbeletselen.
Het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht bevat verschillende vervolgingsbeletselen. Dit betreft ten eerste bepalingen aangaande de strafmacht.4 Het openbaar ministerie kan slechts vervolgen indien en voor zover de Nederlandse strafwet toepassing vindt doordat het feit binnen de Nederlandse jurisdictie valt. Voorts kunnen (publiekrechtelijke) rechtspersonen niet onder alle omstandigheden worden vervolgd.5 Daarnaast bevat Titel VIII – betreffende het verval van het recht tot strafvordering en van de straf – verschillende vervolgingsbeletselen. De titel vangt aan met het in art. 68 Sr verankerde ne bis in idem-beginsel dat kort gezegd inhoudt dat een persoon niet ten tweede maal voor hetzelfde feit mag worden vervolgd. Ook is in die titel bepaald dat het recht tot vervolging vervalt met de dood van de verdachte.6 Verder is in die titel geregeld dat de verjaring, de transactie en de overdracht van de strafvervolging in de weg staan aan verdere vervolging.7 De algemene vervolgingsbeletselen in het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht gelden op grond van art. 91 Sr in beginsel voor alle strafbepalingen. Deze vinden – tenzij de wet in een uitzondering voorziet – dus ook toepassing ten aanzien van strafbepalingen die in bijzondere strafwetten zijn vervat.
Ook in het Bijzonder Deel van het Wetboek van Strafrecht zijn diverse vervolgingsbeletsen opgenomen. Dit betreft klachtdelicten, het huwelijk, het prejudicieel geschil en regels omtrent de bijzondere positie van uitgevers, drukkers en communicatiedienstverleners. Hoewel het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht in Titel VII algemene bepalingen bevat aangaande het indienen en intrekken van een klacht is het concrete beletsel om te vervolgen steeds verwoord bij de onderscheiden klachtdelicten in het Bijzonder Deel van het strafwetboek. Door dit vervolgingsbeletsel te scharen onder de beletselen die hun plaats hebben in het Bijzonder Deel van het strafwetboek wordt ook beter voor het voetlicht gebracht dat geen sprake is van een beletsel dat op grond van art. 91 Sr in beginsel geldt voor alle strafbare feiten. De in het Bijzonder Deel vervatte vervolgingsbeletselen houden immers steeds verband met specifieke strafbare feiten. Zo zijn de drukker en uitgever gevrijwaard van vervolging van feiten die met een drukpers worden gepleegd indien zij respectievelijk aan de in art. 53 en 54 Sr vervatte voorwaarden voldoen. Meer recent is vanwege verwantschap met die bepalingen in art. 54a Sr een vervolgingsbeletsel gecreëerd voor de serviceprovider die uitsluitend andermans digitale data opslaat of doorgeeft en die gevolg geeft aan een vordering ex art. 125p Sv.8 Voorts staat een huwelijk tussen dader en slachtoffer in de weg aan de vervolging van bepaalde vermogensdelicten. Dit beletsel is neergelegd in art. 316 lid 1 Sr aan het einde van de titel betreffende diefstal en stroperij. In hoofdstuk 3 is uiteengezet dat het bereik van art. 316 lid 2 Sr – waarin de grondslag voor relatieve klachtdelicten is gelegen – via verschillende schakelbepalingen is vergroot tot andere vermogensdelicten.9 Dit geldt evenzeer voor het in art. 316 lid 1 Sr neergelegde huwelijkse vervolgingsbeletsel. Tot slot kan een prejudicieel geschil leiden tot een vervolgingsbeletsel. Bijvoorbeeld waar een bepaald geschilpunt beslecht dient te zijn alvorens tot vervolging mag worden overgegaan. Zo vereist een vervolging op grond van art. 236 Sr (betreffende verduistering van staat) dat eerst een verzoek tot inroeping op betwisting van staat is gedaan waarop de burgerlijke rechter een eindbeslissing heeft gegeven.10
Bijzondere strafwetgeving bevat uitzonderingen op de vervolgingsbeletselen zoals die in het Wetboek van Strafrecht zijn vervat. Zo is op onderdelen de strafmacht uitgebreid11 en zijn ten aanzien van bepaalde strafbare feiten afwijkende regels omtrent verjaring opgenomen.12 Vermeldenswaardig is voorts dat in bijzondere wetten – net als in het Bijzonder Deel van het Wetboek van Strafrecht – ook op zichzelf staande vervolgingsbeletselen zijn verankerd die slechts op specifieke delicten betrekking hebben. De vervolging wegens het verlaten van de plaats van een verkeersongeval waarbij letsel is berokkend (hetgeen strafbaar is op grond van art. 7 WVW) is bijvoorbeeld uitgesloten indien de betrokkene alsnog tijdig en vrijwillig kennisgeeft van dat verkeersongeval.13 Op grond van art. 69 lid 3 AWR kan ook het alsnog tijdig doen van een juiste belastingaangifte in de weg staan aan vervolging.
De vervolgingsbeletselen zijn niet uitsluitend terug te vinden in materiële strafwetgeving. Het Wetboek van Strafvordering bevat eveneens diverse vervolgingsbeletselen. Zo sluit art. 255 lid 1 Sv de vervolging uit in het geval van een buitenvervolgingstelling (art. 262 lid 5 Sv), een kennisgeving van niet verdere vervolging (243 lid 1 Sv) of een verklaring dat de zaak is geëindigd (art. 29f lid 1 Sv), behoudens nieuwe bezwaren. Die bezwaren moeten zijn gelegen in verklaringen of stukken die pas nadien bekend zijn geworden of die niet eerder zijn onderzocht. Daarnaast kan een persoon aan wie een strafbeschikking is uitgevaardigd en die volledig ten uitvoer is gelegd op grond van art. 255a Sv niet nogmaals voor dat feit worden vervolgd. Ook de processuele omstandigheid dat een officier van justitie weigert een getuige te dagvaarden die niet als bedreigde of beschermde getuige is erkend door de rechter levert een vervolgingsbeletsel op.14 In het geval zich tijdens het voorbereidend onderzoek vormverzuimen hebben voorgedaan kan de rechter onder bepaalde omstandigheden op grond van art. 359a Sv beslissen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Dit is het vervolgingsbeletsel waarop in de rechtspraktijk verhoudingsgewijs vaak een beroep wordt gedaan. Hiervoor is aan bod gekomen dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat het recht tot vervolging vervalt met de dood van een verdachte. In relatie tot het andere uiterste van de levensloop regelt art. 486 Sv dat de vervolging is uitgesloten van kinderen die de leeftijd van 12 jaar nog niet hebben bereikt. Dit vervolgingsbeletsel was voorheen in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Lang is getwist of het een bepaling van materieel of formeel recht betrof, waarna het voorschrift in 1995 – in lijn met het advies van de Commissie Anneveldt – is overgeheveld naar het Wetboek van Strafvordering.15 Tot slot dient te worden gewezen op wetssystematische vervolgingsbeletselen. Daarvan is sprake indien een bepaalde omstandigheid strijdig wordt geacht met het systeem van het Wetboek van Strafvordering, ondanks dat geen strafvorderlijk wetsartikel de gang van zaken expliciet verbiedt. Zo accepteert men geen inhaaldagvaardingen16 en kunnen strafbare feiten niet worden vervolgd indien deze al eerder ad informandum zijn gevoegd.17
Een beletsel om te vervolgen kan ook in verdragsartikelen zijn gelegen. Zo verbiedt art. 31 van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen onder bepaalde omstandigheden de oplegging van strafsancties indien legitieme redenen bestaan voor de onrechtmatige binnenkomst en aanwezigheid in een land.18 Ook schending van art. 6 EVRM – dat een eerlijk proces waarborgt – kan ertoe leiden dat een vervolging strandt.19 Als algemene regel wordt gehanteerd dat verdragsschendingen uitsluitend tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging (kunnen) leiden wanneer andere sancties te licht zijn bevonden of niet in aanmerking komen.20 Verdragsbepalingen kunnen daarnaast een rol spelen bij (de nadere invulling van) andere vervolgingsbeletselen. Bijvoorbeeld bij de beoordeling van vormverzuimen op grond van art. 359a Sv en bij de beginselen van een goede procesorde die hierna aan bod komen.
Sinds 1981 kunnen vervolgingsbeletselen ook aan het ongeschreven recht worden ontleend. De Hoge Raad volgde in dat jaar het standpunt van advocaat-generaal Remmelink, die in zijn conclusie (onder verwijzing naar opvattingen in de literatuur) stelde dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan worden gegrond op regels van ongeschreven recht en de beginselen van een goede procesorde.21 Daartoe worden gerekend het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de redelijke en billijke afweging van belangen en het beginsel van zuiverheid van oogmerk. In 1995 oordeelde de Hoge Raad dat de schending van deze beginselen uitsluitend kan leiden tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging indien sprake is van een ernstige inbreuk op een van die beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.22 Nadien is aanvaard dat ook indien niet aan dit criterium is voldaan aanleiding kan bestaan tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring in het geval sprake is van zeer fundamentele inbreuken die raken aan de grondslagen van het strafproces.23