Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.3
3.3 Achtergronden waartegen de fiscale straf- en boetebepalingen invulling hebben gekregen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS567434:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1954/55, 4080, 3 (MvT), p. 24
HR 4 januari 1950, B. 1950/8718; HR 24 oktober 1951, B. 1951/9090. In vervolg hierop erkende de Staatssecretaris van Financiën het strafkarakter van deze verhogingen in de Nieuwe richtlijnen inzake de toepassing van verhoging bij navordering, res. 27 oktober 1954, nr. 160, V-N 1954, p. 663-666.
HR 22 maart 1961, BNB 1961/148; HR 7 september 1988, BNB 1988/298, r.o. 4.1; HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87-88, r.o. 4.6; HR 31 januari 1990, BNB 1990/93, r.o. 4.3.
HR 19 juni 1985, BNB 1986/29, r.o. 4.2.
Door de invoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het begin van de jaren ‘60 van de vorige eeuw werden de tot dan toe over de verschillende heffingswetten en -besluiten verspreide fiscale straf- en boetebepalingen in één wet opgenomen. Ten aanzien van de fiscale strafbepalingen is destijds in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat zoveel mogelijk bij het strafrecht moest worden aangesloten.1 Ten aanzien van de fiscale boetebepalingen, destijds vaak verhogingen genoemd, ontbreekt een dergelijke opmerking. Dat paste in de toenmalige opvattingen over verhogingen. Het strafkarakter van de verhogingen was op dat moment nog niet zo lang door de belastingkamer van de Hoge Raad aanvaard en bleef beperkt tot die verhogingen waarvoor opzet of grove schuld was vereist.2 In vervolg hierop is meermaals door de belastingkamer van de Hoge Raad uitgesproken dat de omstandigheid dat de verhoging als een straf werd beschouwd, nog niet meebracht dat de beginselen van het nationale strafrecht van toepassing zijn.3 Dit uitgangspunt geldt nog steeds, hoewel, zoals hierna aan de orde zal komen, niet meer zo onverkort.
De invulling van de in de fiscale boetebepalingen opgenomen begrippen heeft derhalve in het fiscale boeterecht in eerste instantie binnen een eigen, niet door strafrechtelijke beginselen beheerste, context plaatsgevonden. Zoals later in dit hoofdstuk naar voren zal komen, hebben de begrippen opzet en grove schuld, begrippen waarover in de parlementaire geschiedenis van de AWR nagenoeg niets is gezegd, hierdoor in het fiscale boeterecht in bepaalde opzichten een eigen invulling gekregen.
Hierna worden de verschillende achtergronden van het fiscale straf- en boeterecht aan de hand van vier onderwerpen kort uitgewerkt: de wettelijke basis, de rolverdeling, de bestanddelen van de delictsomschrijving en de elementen en tot slot het bewijs. Eerst wordt ingegaan op het fiscale strafrecht. Hierin is wat de zojuist genoemde onderwerpen betreft met het verloop van de jaren relatief weinig veranderd. Vervolgens wordt ingegaan op het fiscale boeterecht. In 1985 heeft de belastingkamer van de Hoge Raad geoordeeld dat op fiscale boetes de beginselen van art. 6 EVRM van toepassing zijn.4 Daarna is in het fiscale boeterecht door de invloed van art. 6 EVRM en door als gevolg daarvan gewijzigde wetgeving juist wel veel veranderd.
3.3.1 De achtergrond waartegen de fiscale strafbepalingen invulling hebben gekregen3.3.2 De achtergrond waartegen de fiscale boetebepalingen invulling hebben gekregen