Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4
3.4 De subjectieve delictsbestanddelen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS573518:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.W.C. Feteris, ‘Invloed van het strafrecht op het fiscale boeterecht’, WFR 2015/7082, p. 140-144
Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3 (MvT), p. 125: “Uitgangspunt dient dan ook te zijn, dat het bestraffende bestuursrecht niet nodeloos moet afwijken van het strafrecht (…). Op een aantal essentiële punten wordt dan ook aangesloten bij het strafrecht.”
Opmerking van M.W.C. Feteris, thans president van de Hoge Raad, aangehaald door L.J.A. Pieterse, ‘Naar meer eenheid in het bestuursrecht’, WFR 2011/6918, p. 1060.
HR 19 december 2008, BNB 2009/201, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.1.
HR 29 april 2011, BNB 2011/249, ECLI:NL:HR:2011:BN9685, r.o. 5.2.5.
HR 29 mei 2015, BNB 2015/146, ECLI:NL:HR:2015:1360, r.o. 2.4.2 en 2.4.4.
HR 22 september 1999, BNB 2000/122, ECLI:NL:HR:1999:AA2870, r.o. 3.
Anders: A-G Van Kalmthout die in een conclusie van 21 augustus 2002, ECLI:NL:PHR:2003:AE8092 in r.o. 3.4. overwoog dat kwade trouw in de zin van art. 16 AWR geen andere betekenis heeft dan het opzetbegrip in het algemene strafrecht, het fiscale strafrecht en het fiscale boeterecht. Zo ook Hof ’s-Hertogenbosch 18 december 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BL8895, dat in r.o. 4.1 heeft overwogen dat het in art. 67d AWR voorkomend begrip opzet geen andere betekenis toekomt dan elders in het (fiscale) straf- en boeterecht het geval is. Zo ver is het naar mijn mening (nog) niet.
Uit de voorgaande paragrafen komt naar voren dat sinds de jaren ‘80 van de vorige eeuw het uitgangspunt dat de beginselen van het nationale strafrecht in het fiscale boeterecht niet van toepassing zijn, niet meer zo onverkort geldt. Bepaalde beginselen van het nationale strafrecht zijn ook op het boeterecht van toepassing geworden omdat ze rechtstreeks voortvloeien uit art. 6 EVRM of omdat ze door de wetgever zijn gecodificeerd.1 Veel verschillen tussen het fiscale straf- en boeterecht zijn daardoor verdwenen.
Daarnaast hebben de wetgever en de rechterlijke macht de intentie geuit om het fiscale boeterecht zoveel mogelijk op het strafrecht te laten aansluiten. De wetgever heeft in 2004 tijdens de parlementaire behandeling van de vierde tranche Awb uitgesproken dat het bestraffende bestuursrecht niet nodeloos moet afwijken van het strafrecht.2 Een raadsheer van de belastingkamer van de Hoge Raad heeft in 2011 opgemerkt dat voor strafrechtelijke leerstukken, voor zover die doorwerken in het bestuurlijke boeterecht, in beginsel wordt aangesloten bij de rechtspraak van de strafrechter.3 Deze aansluiting is in aantal arresten terug te vinden, zoals in het arrest over de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM,4 in het arrest over het vervallen van de bevoegdheid om een fiscale boete op te leggen5 en in het arrest over toerekening van opzet en grove schuld aan een rechtspersoon.6
Reeds eerder, in een arrest in 1999, heeft de belastingkamer van de Hoge Raad voor de invulling van de begrippen opzet en grove schuld in het fiscale boeterecht expliciet verwezen naar de invulling van deze begrippen in het strafrecht.7 Dat wil overigens niet zeggen dat er vanaf 1999 geen verschillen meer bestonden.8 De invulling van deze begrippen heeft in het fiscale boeterecht in eerste instantie immers binnen een eigen, niet door strafrechtelijke beginselen beheerste, context plaatsgevonden.
De aansluiting van het fiscale boeterecht op het strafrecht in het algemeen en de aansluiting van het opzetbegrip uit het fiscale boeterecht op dat uit het strafrecht in het bijzonder, is aanleiding geweest om het onderzoek naar de invulling van het opzetbegrip in het fiscale boete- en strafrecht op een bepaalde manier aan te pakken: niet alleen de invulling van het opzetbegrip in het fiscale strafrecht maar ook de invulling van het opzetbegrip in het fiscale boeterecht heb ik beoordeeld aan de hand van strafrechtelijke beginselen en dogmatiek.
Hierna, in de paragrafen 3.4 tot en met 3.6, wordt aan de hand van de leerstukken uit het strafrecht de invulling van het opzetbegrip in het fiscale straf- én boeterecht in beeld gebracht en worden de verschillen daartussen geïnventariseerd, nog zonder acht te slaan op de pleitbaar standpunt jurisprudentie. Aan de hand van de bevindingen kan ik vervolgens in hoofdstuk 4 onderzoeken welke rol de criteria die normaal voor de vaststelling van opzet gelden, in de fiscale boete- en strafjurisprudentie spelen als er sprake is van een pleitbaar standpunt.
Het pleitbare standpunt leidt in het fiscale boeterecht echter niet alleen tot afwezigheid van opzet, maar ook tot afwezigheid van grove schuld. Na een inleiding die zowel op opzet als op grove schuld ziet, wordt hierna daarom eerst ingegaan op het begrip grove schuld. Ook hierbij is het de bedoeling de invulling van dit begrip in beeld te brengen, zodat ik in het volgende hoofdstuk kan beschouwen welke rol de criteria die normaal voor de vaststelling van grove schuld gelden spelen als er sprake is van een pleitbaar standpunt.
3.4.1 Opzet en grove schuld3.4.2 Schuld als bestanddeel3.4.3 Opzet als bestanddeel