Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/6.2.3:6.2.3 Het heden: nieuwe ontwikkelingen
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/6.2.3
6.2.3 Het heden: nieuwe ontwikkelingen
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248589:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Huart 1925, p. 138-139.
Zie bijvoorbeeld ‘Het Appèl’ (aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie), het officieuze oprichtingsdocument van D66 uit 1966.
Hendriks e.a. 2016, p. 9 en 32.
Sinds de Europese verkiezing van 2009 hebben onder curatele gestelden ook het actief en passief kiesrecht; Stb. 2017, 302.
Boogaard 2018, p. 246-249.
Kabinetsstandpunt over het advies van de Staatscommissie parlementair stelsel, bijlage bij de Kamerbrief van 26 juni 2019, p. 6-8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tijdens de grondwetsherziening van 1983 werd nog sterk de nadruk gelegd op de centrale plaats van politieke partijen in het staatsbestel. Tegelijkertijd doet er zich specifiek met betrekking tot het kiesrecht in de periode na de Tweede Wereldoorlog ook een andere ontwikkeling voor. In die periode vat de gedachte post dat het kiesrecht niet alleen een middel is om een ideologisch representatieve volksvertegenwoordiging samen te stellen, maar ook (en misschien vooral) een fundamenteel mensenrecht. Het recht wordt in 1948 vastgelegd in artikel 21 eerste lid van de Universele verklaring van de rechten van de mens, in 1966 in artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en later in 1983 in artikel 4 van de Grondwet. Volgens de grondwetgever van 1983 betrof het een recht op participatie in de publieke zaak.1 Bij de discussie over de introductie van het algemeen kiesrecht in 1917 werd door de grondwetgever nog in het midden gelaten of het een aangeboren recht betrof of een recht toegekend door de Grondwet.2 Het pleit is in 1983 in het voordeel van het eerste standpunt beslecht. Ook andere ontwikkelingen wijzen erop dat het kiesrecht meer als onderdeel van de persoonlijke autonomie wordt gezien. Te wijzen valt op de opkomst van partijen die pleiten voor een gekozen minister-president of burgemeester en bindende referenda.3 Tekenend is ook dat de steun onder de bevolking voor deze laatste twee zaken al jarenlang erg hoog is.4 Andere, meer recente, voorbeelden wijzen in dezelfde richting. Te noemen vallen de afschaffing in 2008 van het automatisch uitsluiten van het kiesrecht van onder curatele geplaatsten en de afschaffing van de lijstencombinaties.5 Wanneer er op deze manier naar het kiesrecht wordt gekeken, leidt dat ook tot een ander idee van vertegenwoordiging. Het uitbrengen van een stem dient in deze opvatting niet om de meest bekwame personen te selecteren of om een afspiegeling van de in de maatschappij bestaande politieke opvattingen te bewerkstelligen, maar als uiting van een (collectieve) wil.6 De besluiten van volksvertegenwoordigingen moeten in overeenstemming zijn met die wil en moeten de voorkeuren van kiezers reflecteren. De aankondiging van de huidige regering om een eventueel districtenstelsel in te voeren voor de verkiezingen moet in dit licht worden bekeken. De gedachte daarachter is namelijk dat kiezers zich dan niet alleen in de besluiten van volksvertegenwoordigingen zullen herkennen, maar ook in de personen van de individuele vertegenwoordigers.7