Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.2.5
4.2.5 Rechterlijke overtuiging als besliscriterium
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Het geldt in België, Frankrijk, Duitsland en Italië (Spencer 2002b, p. 600-601).
Spencer 2002b, p. 600.
Laudan 2006, p. 32 e.v.
Dat wordt tot uitdrukking gebracht in het procesbeginsel in dubio pro reo dat ook in Nederland gelding heeft.
In de aversie tegen de rigide middeleeuwse praktijken waarin bewijsregels min of meer mechanisch werden toegepast (zie hierna), kan volgens Damaška ook reden worden gevonden voor de scepsis in continentale stelsels over regels die de bewijsbeslissing normeren (Damaška 1973, p. 515 noot 10).
Spencer 2003, p. 32.
Cleiren 2001, p. 13 en Spencer 2003, p. 29-30.
De onzekerheid kan vanzelfsprekend nooit voor de volle honderd procent worden geëlimineerd.
Grande 2009, p. 2.
Deze term is afkomstig van Damaška. Zie bijv. 1997, p. 12.
Damaška1997, p. 16-17.
Om te komen tot een positieve bewijsbeslissing geldt in het continentale model dat de rechter (of de jury) overtuigd moet zijn van de schuld van de verdachte. Het criterium van de overtuiging duikt op in het Franse recht van de negentiende eeuw, waar wordt gesproken van de conviction intime. De eis van de overtuiging kan thans worden teruggevonden in veel stelsels die zijn beïnvloed door het Franse recht in de negentiende eeuw.1 In Anglo-Amerikaanse procedures moet de schuld van verdachte beyond reasonable doubt, zonder gerede twijfel, vast komen te staan. Dit criterium betreft de mate of gradatie van zekerheid die moet bestaan bij de beslisser en wordt vaak afgezet tegen de beslisstandaard in het civiele recht die lager zou liggen, te weten de balance of probabilities.2
In de literatuur is veelvuldig discussie gevoerd in hoeverre deze criteria wezenlijk van elkaar verschillen. Het criterium van beyond reasonable doubt lijkt een meer objectief criterium te betreffen dan het criterium van de rechterlijke overtuiging. Echter, het is twijfelachtig of de vereiste mate van zekerheid om tot een veroordeling te komen daadwerkelijk verschilt. Bovendien bestaat er over de invulling van de reasonable doubt geen consensus. Zo laat Laudan zien dat jury’s in de Verenigde Staten binnen federale staten op verschillende manieren worden geïnstrueerd omtrent de toepassing van dit concept. Er zou onder rechters weerstand bestaan om de reasonable doubt uit te leggen aan juryleden als een probabilistische standaard. In plaats daarvan wordt juryleden bijvoorbeeld gevraagd om pas tot een veroordeling te komen indien zij fully convinced zijn.3 Deze uitleg komt weer dicht in de buurt van de continentale standaard. Bovendien bestaat in continentale stelsels onder juristen ook overeenstemming dat bij redelijke twijfel moet worden vrijgesproken.4 De vraag is of de overtuiging echt is bedoeld als een zelfstandig besliscriterium of vooral in het leven is geroepen om de vrije waardering van bewijs te benadrukken. Zo wordt in de literatuur wel gesteld dat het introduceren van de overtuiging in de wetgeving een reactie was op het toepassen van dwingende bewijsregels die voorschreven welk gewicht aan bepaald bewijs moest worden toegekend zoals gangbaar in de middeleeuwen.5
Het hiervoor genoemde onderscheid in besliscriteria wordt ook wel in verband gebracht met de gehanteerde waarheidsbegrippen. Zo bestaat op het continent soms het beeld dat in op accusatoire leest geschoeide procesvormen niet de materiële waarheid maar de partijenwaarheid (formele waarheid) centraal staat. Common law juristen zullen zich in dit beeld echter niet herkennen.6 Het is niet zozeer de waarheid die verschilt, maar het proces waarmee deze wordt gevonden.7 Niettemin wordt met het besliscriterium van beyond reasonable doubt wel tot uitdrukking gebracht dat het uiteindelijke oordeel slechts een waarschijnlijkheidsoordeel behelst. Het gaat in het Anglo-Amerikaanse model om het meest waarschijnlijke verhaal na maximale eliminatie van onzekerheid.8 In het continentale model wordt daarentegen van oudsher uitgegaan van een met bewijsmiddelen objectief te reconstrueren waarheid,9 hetgeen ligt besloten in het begrip van de ‘materiële’ waarheid. Het uitdrukken van de bewijsbeslissing in termen van waarschijnlijkheid is in de continentale jurisdicties minder gebruikelijk, omdat daar wordt gewerkt met het concept van de (innerlijke) overtuiging. Vandaag de dag is men zich echter ook op het continent bewust van het feit dat de overtuiging geen garantie vormt voor juistheid van het gegeven oordeel.
Wanneer de Anglo-Amerikaanse praktijk wordt vergeleken met de continentale praktijk dan lijkt het onderscheid dus niet zozeer te liggen in de mate van zekerheid vereist voor een veroordeling, maar vooral in de inbreng van het bewijsmateriaal (dossier en presentatie) en de normering voor de bewijsbeslissing. De normering in het Anglo-Amerikaanse procesmodel is vooral gelegen in de presentatie en geschiedt vooraf, in de zin dat bepaald materiaal niet aan de jury wordt gepresenteerd maar op voorhand uitgesloten. In het continentale model krijgt de beslisser alles onder ogen, maar dient hij zijn beslissing (in bepaalde gevallen wel nader) te motiveren. Bewijsregels in het continentale procesmodel hebben in de regel een flexibel karakter, terwijl de bewijsuitsluitingsregels in het Anglo-Amerikaanse model meer rigide van aard zijn. Zij hebben ook een ‘profylactisch karakter’ in de zin dat zij meer bescherming bieden dan strikt noodzakelijk.10 Bepaald materiaal wordt op voorhand uitgesloten omdat het een oneigenlijk effect kán hebben op het beslisproces (een voorbeeld betreft de hierna te bespreken hearsay-regels),11 terwijl in het continentale model de rechter meer vrijheid heeft om per zaak een individuele afweging te maken om bepaald bewijsmateriaal al dan niet te gebruiken. Hierin toont zich ook het vertrouwen dat in de beroepsrechter wordt gesteld.