De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.9.1:II.6.9.1 Voorstel winnaar Grondwetstrijd 2014
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.9.1
II.6.9.1 Voorstel winnaar Grondwetstrijd 2014
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285091:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nehmelman e.a., NJB 2014/1228, p. 1681 – 1684.
Idem, p. 1683.
Idem, p. 1683.
Kwesties over de merites van het voorstel op zich en procedurele kwesties kunnen door elkaar gaan lopen. Een Kamerlid kan het bijvoorbeeld eens zijn met een herzieningsvoorstel, maar een procedure bij de Grondwetskamer onwenselijk achten. Dat zou een reden kunnen opleveren om tegen het voorstel te stemmen.
Idem, p. 1683.
Idem, p. 1682. Zie het tweede lid van het voorstel.
Zie: Van Reybrouck 2015, p. 101 e.v;
Nehmelman e.a., NJB 2014/1228, p. 1684, nt. 15.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meest recente inbreng op het punt van een grondwetskamer kwam van de winnaar van de Grondwetstrijd in 2014.1 Deze inbreng bevatte het volgende verstrekkende plan. De bedoeling is dat de grondwetsherzieningsprocedure wordt gedifferentieerd in een lichte (één lezing met een gekwalificeerde meerderheid in beide Kamers) en een zware variant (twee lezingen, waarbij de tweede lezing plaatsvindt in een grondwetskamer). Van de lichte variant is sprake, indien ‘de wetgever tot wijziging van de Grondwet niet ziet als een wijziging die een verandering aanbrengt in de identiteit van het Nederlandse constitutionele bestel.’2 De lichte variant bestaat uit één lezing waarin het voorstel met een gekwalificeerde meerderheid in beide Kamers moet worden aangenomen. Deze lichte variant is mogelijk gemaakt uit het oogpunt van flexibiliteit en snelheid.
De zware variant komt aan de orde indien de wetgever wél meent dat de identiteit van het Nederlandse constitutionele bestel in het geding is of burgers daartoe het initiatief nemen.3 Het criterium ‘de identiteit van het constitutionele bestel’ is onduidelijk. Er zijn twee actoren die kunnen beslissen dat er sprake is van een wijziging in de identiteit van het constitutionele bestel: de wetgever kan dat bepalen en de burger middels een burgerinitiatief. Op welke wijze de wetgever of burger deze beslissing kan nemen is niet vormgegeven. Binnen de wetgever kan snel onenigheid ontstaan over de vraag of er sprake is van een wijziging in de identiteit van het constitutionele bestel. 4 Mocht de wetgever niet tot de zware variant beslissen, dan kan de burger middels een bindend burgerinitiatief de zware variant afdwingen.
De zware variant plaatst een grondwetskamer achter de eerste lezing. Er is dus eerst een lezing waarbij de Tweede en Eerste Kamer met een gekwalificeerde meerderheid het voorstel moeten aannemen. Deze grondwetskamer dient met een drie vijfde meerderheid te beslissen.5 De grondwetskamer heeft geen amendementsrecht.6 Bijzonder is dat deze grondwetskamer bestaat voor de helft uit geselecteerde (en tot op zekere hoogte gelote) burgers (225 leden). De andere helft bestaat uit de leden van de Staten-Generaal. In totaal zouden er dus 450 leden in deze grondwetskamer zetelen. Een achterliggend doel van deze inrichting van de procedure is om de Grondwet weer tot leven te wekken (vgl. de titel van het stuk ‘De ‘kiss of life’ voor de Grondwet’). Het voorstel ligt in lijn met ideeën van de Belgische publicist Van Reybrouck, die in zijn manifest Tegen verkiezingen pleitte voor het loten van volksvertegenwoordigers7 en experimenten die zijn gedaan in IJsland.8
Naast de reeds eerder genoemde bezwaren tegen de grondwetskamer ‘an sich’ heb ik bedenkingen tegen dit specifieke voorstel. Ten eerste, de eisen omtrent de selectie van burgers worden bij wet vastgesteld. De wetgever zou deze eisen met een eenvoudige wetswijziging kunnen veranderen om zodoende een gunstige samenstelling te krijgen in verband met een op handen zijnde grondwetswijziging. Ten tweede, het voorstel gaat uit van de aanname dat de Grondwet tot leven gewekt moet worden. Het is mijns inziens niet meteen overtuigend of deze aanname klopt. Ten derde, een grondwetskamer waarin beroepspolitici en burgers met elkaar delibereren en stemmen over een grondwetsherziening is niet zonder risico’s. Er vindt een mengeling plaats van parlementariërs die het gehele Nederlandse volk vertegenwoordigen en (gewone) burgers. Voor de laatste categorie geldt artikel 50 Gw niet. Er zitten dus leden met verschillende opdrachten in deze grondwetskamer. De vraag is of de geselecteerde burgers zich kunnen meten met de beroepspolitici, die getraind zijn in het behandelen van wetsvoorstellen. Weliswaar voorziet het plan van de Utrechters in een grondige training voor deze uitverkorenen, maar het is de vraag of die training afdoende zal zijn. Ten vierde, een laatste punt is als de grondwetsherziening een langslepende kwestie wordt. De geselecteerde burgers mogen, naar ik aanneem, blijven zitten, terwijl het mandaat van de leden van de Tweede en Eerste Kamer op enig moment zal aflopen.