Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.5.1
2.5.1 Aflossingsfunctie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264383:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie naast onderstaande teksten D. 6,1,65pr (Papinianus); D. 13,7,39 (Modestinus); D. 20,5,12,1 (Tryphoninus); C. 4,32,12(11) (Alexander Severus); C. 4,24,2 (Alexander Severus); C. 4,24,3 (Alexander Severus); C. 4,24,12 (Maximianus); C. 8,27(28),1 (Alexander Severus).
Vgl. D. 20,5,12,1 (Tryphoninus); C. 4,24,2 (Alexander Severus); C. 4,32,12(11) (Alexander Severus); C. 8,13(14),9 (Gordianus); C. 8,27(28),1 (Alexander Severus). Manigk 1910, p. 53.
C. 4,24,1 (Septimius Severus & Antoninus Caracalla). Οἱ ἐκ τοῦ ἐνεχύρον ληφθέντες καρποὶ ψηφίζονται εἰσ τὸ χρέος καί, ἐὰν ἱκανοὶ γένωνται πρὸσ τὸ ὅλον χρέος, λὺεται ἡ ἀγωγη καὶ ἀποδίδοται τὸ ἐνέχυρον. Εἰ δὲ καὶ πλείονές εἰσι τοῦ χρέους οἱ καρποί, ἀποδίδονται οἱ περιττεύοντες.
In de literatuur staat deze vorm van antichresis ook wel bekend als “reine Amortisationsantichrese”. Manigk 1910, p. 57-61; Kaser, Studien III, p. 83-84.
In de literatuur staat deze vorm van antichresis ook wel bekend als “gemischte Antichrese.” Manigk 1910, p. 60-61; Kaser, Studien III, p. 84.
D. 36,4,5,21 (Ulpianus). […] et cum exemplum pignorum sequimur, id quod ex fructibus percipitur primum in usuras, mox, si quid superfluum est, in sortem debet imputari: quin immo et si amplius quam sibi debetur perceperit legatarius, exemplo pigneraticiae actionis etiam utilis actio ad id refundendum dari debebit. […]
Zie ook C. 8,24(25),2 (Maximianus).
C. 8,27(28),1 (Alexander Severus). Fundum pignori obligatum, si creditor ex fructibus debitum persecutus est, cum ipso iure pignus obligatione liberatum sit, distrahere minime potest.
D. 13,7,33 (Marcianus); D. 36,4,5,21 (Ulpianus); C. 4,24,1 (Septimius Severus & Antoninus Caracalla); C. 4,24,12 (Maximianus); Dernburg 1864, p. 71 en 93; Wubbe 1960, p. 150-151; Kaser, Studien III, p. 87; Potjewijd 1998, p. 44-45.
Vgl. D. 36,4,5,21 (Ulpianus); C. 8,42(43),20 (Diocletianus). Dernburg 1864, p. 93; Manigk 1910, p. 88; Goebel 1961, p. 50; Kaser, Studien III, p. 88; Weiß 1909, p. 41.
C. 4,32,26,2 (Justinianus); C. 4,32,26,4 (Justinianus).
Dernburg 1864, p. 70 en 86, voetnoot 2; Windscheid/Kipp 1906, p. 1184-1185; Manigk 1910, p. 52 en 57-58; Kaser, Studien III, p. 83-84.
C. 4,24,3 (Alexander Severus). Creditor, qui praedium pignori sibi nexum detinuit, fructus quos percepit vel percipere debuit in rationem exonerandi debiti computare necesse habet et, si agrum deteriorem constituit, eo quoque nomine pigneraticia actione obligatur.
C. 8,24(25),2 (Maximianus). Cum pignoris titulo mancipia vos obligasse pro mutua quam accepistis pecunia proponatis, horum mancipiorum operis, quas creditor accepit vel quas percipere potuit, in usuras computatis et post in sortem, extenuato debito residuum offerentibus vel, si non accipiat, consignatum deponentibus mancipia vobis praeses privinciae restitui iubebit.
Vgl. Dernburg 1864, p. 70.
Kohler 1882, p. 217.
Ten eerste kon het recht van pandgebruik werken als aflossingsmechanisme voor de gesecureerde vordering.1 De waarde van het gebruik en de vruchten kwam van rechtswege in mindering op de gesecureerde vordering, tot zij volledig was afgelost.2 Ter illustratie C. 4,24,1 (Septimius Severus en Antoninus Caracalla):
“De vruchten die genoten zijn uit het pand worden toegerekend aan de schuld; en indien zij voldoende zijn voor de totale schuld, gaat de actie teniet en wordt het pand teruggegeven. Indien de vruchten de schuld echter overstijgen, worden de resterende afgegeven.”3
Als partijen geen rente waren overeengekomen, kwam de waarde van het gebruik of de vruchten in mindering op de hoofdsom.4 Ging het om een rentedragende vordering, dan kwam de gebruiksopbrengst primair in mindering op de rente. Een overschot kwam vervolgens in mindering op de hoofdsom, totdat de pandgebruiker voor zowel hoofdsom als vervallen rente was voldaan.5 Deze regel kwam expliciet terug in D. 36,4,5,21 (Ulpianus):
“Omdat wij het precedent van verpande zaken volgen, moet datgene wat bij wijze van vruchten wordt verkregen in de eerste plaats op de betaling van de [door de schuldenaar te betalen] rente, en daarna, voorzover er nog iets is overgebleven, op de hoofdsom worden toegerekend; ja, zou de legataris ook meer dan hem verschuldigd is hebben gekregen, dan zal [aan de erfgenaam] naar analogie van de actie uit de pandovereenkomst een aangepaste actie moeten worden verleend om dit restbedrag teruggestort te krijgen.”6
De tekst laat zien dat er een precedent van verpande zaken (exemplum pignorum) bestond, dat de toerekening van genoten vruchten uit het onderpand aan de gesecureerde vordering regelde. Op grond van dit precedent gold de waarde van de vruchten als betaling van vervallen rente. Als er nog iets over was, gold dit overschot als betaling op de hoofdsom.7 Als de vruchtopbrengst voldoende was om ook (het restant van) de hoofdsom volledig te betalen, ging het pandrecht teniet, zo blijkt uit C. 8,27(28),1 (Alexander Severus):
“Als een schuldeiser uit de vruchten de verschuldigde som heeft verkregen, kan hij het als pand verbonden perceel grond niet verkopen, omdat het pand van rechtswege van de verbondenheid is bevrijd.”8
Als na het tenietgaan van de gesecureerde vordering nog vruchten over waren die zich onder de pandgebruiker bevonden, kon de pandgever die overgebleven vruchten (en het pandobject zelf) opeisen met de actio pigneraticia directa.9 Als het ging om een zelfstandig recht van antichrese, kon de schuldenaar zich niet beroepen op de actio pigneraticia directa, de actie uit de pandovereenkomst. Wel kon hij procederen op basis van de overeenkomst van antichresis. De schuldenaar kreeg vermoedelijk een actie die was afgeleid van de actio pigneraticia directa.10
Was de gesecureerde vordering rentedragend, kwam de gebruiksopbrengst primair in mindering op dit rentepercentage. Als er daarna nog iets over was, kwam dit in mindering op de hoofdsom. Het rentepercentage dat partijen overeenkwamen, was onderworpen aan de wettelijk vastgelegde rentemaxima. Als partijen een ongeoorloofd rentepercentage overeen waren gekomen, werd dit van rechtswege geconverteerd naar het maximaal toegestane rentepercentage.11 Vervolgens werd de gebruiksopbrengst behandeld volgens de normale regels van toerekening aan de gesecureerde vordering. De pandgebruiker bracht de gebruiksopbrengst in mindering op het geconverteerde, maximaal toegestane rentepercentage. Als de gebruiksopbrengst hoger was dan het verschuldigde rentebedrag bracht de pandgebruiker het restant in mindering op de hoofdsom. Als de gebruiksopbrengst echter lager was dan het verschuldigde rentepercentage, bleef het onbetaalde gedeelte verschuldigd.
Gebruiksplicht en exploitatierisico
Als het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had, was de pandgebruiker verplicht om het recht van pandgebruik uit te oefenen.12 Gebruikte de pandhouder het onderpand niet naar vermogen, dan werd hij toch geacht het onderpand optimaal te hebben gebruikt en uit dit gebruik een optimaal resultaat te hebben verkregen. De gesecureerde vordering verminderde met het bedrag dat de schuldeiser door gebruik had kunnen verkrijgen. Een en ander blijkt uit de twee onderstaande teksten:
C. 4,24,3 (Alexander Severus):
“De schuldeiser die het hem als pand verbonden stuk grond onder zich heeft gehouden, moet de vruchten die hij genoten heeft of had moeten genieten, meenemen bij de berekening van de te betalen schuld. En indien hij de akker verslechterd heeft, wordt hij uit dien hoofde ook verbonden met de pandactie.”13
C.8,24(25),2 (Diocletianus en Maximianus):
“Omdat u naar voren brengt dat u allen uit hoofde van pand slaven hebt verbonden voor de geldlening die u hebt ontvangen, zullen de dienstverrichtingen van deze slaven die de schuldeiser heeft ontvangen of had kunnen benutten, verrekend worden met de rente en vervolgens met de hoofdsom; wanneer u, nadat zo de verschuldigde som is verminderd, het restant aanbiedt of bij niet aanvaarding verzegeld in bewaring geeft, zal de gouverneur van de provincie gelasten dat de slaven aan u worden teruggegeven.”14
Het ligt voor de hand dat het bedrag voor ‘verrekening’ werd gesteld op het optimale bedrag dat de pandgebruiker door gebruik had kunnen verkrijgen.15 Had hij meer inkomsten kunnen genereren dan hij had gedaan, dan moest hij dit verschil in mindering brengen op de gesecureerde vordering. Dit was een regeling die in het belang was van de pandgever. De pandgever had er belang bij dat de pandgebruiker een zo hoog mogelijke opbrengst genereerde, omdat de openstaande vordering met deze opbrengst verminderde.
Deze gebruiksplicht zal enkel van belang zijn geweest voor het recht van pandgebruik met aflossingsfunctie.16 Alleen in die situatie had de pandgever er belang bij dat de pandhouder een zo hoog mogelijke opbrengst genereerde.