Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/8.4.2
8.4.2 Wettelijke bescherming tegen specifieke gebreken in de besluitvorming; ABN Amro
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196881:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De casus is beschreven in 1.1.
OK 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, ARO 2007/79 (ABN Amro), r.o. 3.17, 3.18.
OK 3 mei 2007, r.o. 3.21, laatste volzin, r.o. 3.23, laatste volzin. Door de verkoop van LaSalle werden de aandeelhouders in ABN Amro naar het oordeel van de Ondernemingskamer beperkt in de besluitvorming over de aandelen ABN Amro (meer precies ABN Amro Holding) (r.o. 3.24, 3.25).
Dat valt af te leiden uit OK 3 mei 2007 r.o. 3.22, laatste zin, en r.o. 3.24, eerste zin. De motivering is voornamelijk gericht op de onmiddellijke voorziening. Het oordeel is voorlopig; in de beschikking werd nog niet over een enquête beslist. Zie over die mogelijkheid nr. 85.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, ARO 2007/120 (ABN Amro).
Nakoming staat voor de schuldeiser voorop (nr. 222, 223).
Waaronder een tekortkoming ten gevolge van een onmiddellijke voorziening, vgl. de in nr. 286 beschreven ‘gevarenzone’. Hier worden ook andere uit de besluitvorming voorvloeiende oorzaken van tekortkomingen bedoeld.
Art. 2:107a lid 2 BW. Over die bijzonderheid en de toepasselijkheid van art. 2:107a BW, zie concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BA7972, bij HR 13 juli 2007 (ABN Amro).
Voor intern gerichte rechtshandelingen geldt dit niet. Om misverstanden te vermijden zij erop gewezen dat de contractuele wederpartij in verband met dit thema in de literatuur veelal wordt aangeduid met ‘derde’. Bijv. Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood, 2017/118; concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BA7972, bij HR 13 juli 2007 (ABN Amro); M.P. Nieuwe Weme, annotatie bij HR 13 juli 2007, JOR 2007/178). Voor het gebruik van ‘derde’ in dit boek zie 1.7.6.
Dit is geen volledige opsomming. Zie bijv. ook art. 107a, lid 3 en 4, BW; van een andere orde – met de tussenstap van een rechterlijke beslissing – art. 26 lid 5 WOR. Art. 2:16 BW betreft door de rechter vastgestelde nietigheid en vernietiging, en heeft niet op een specifiek gebrek betrekking, zie nr. 176.
Het ‘ontbreken van externe werking’ moet genuanceerd worden. Lennarts wijst op mogelijke uitzonderingen voor wederpartijen die op de hoogte zijn van het ontbreken van goedkeuring (Lennarts, in: T&C Burgerlijk Wetboek, 2019, art. 2:107a BW, aant. 3 (online, bijgewerkt 1 juli 2019)).
De OK-beschikking inzake ABN Amro wees op het bestaan van zo’n categorie van twijfel. Die beschikking is gecasseerd en kan dus niet meer dienen ter staving van het bestaan van die mogelijkheid.
Nr. 281 en 283.
De hiervoor in nr. 287 beschreven maatstaf, dat de rechtspersoon zijn besluitvorming tot het aangaan van de koopovereenkomst zo moet inrichten, dat in de overeenkomst geen tekortkoming zit ingebakken, blijft overeind.
[287] De twijfel aan het beleid van ABN Amro betrof de totstandkoming van een koopovereenkomst. Het ging om de formele kant van de besluitvorming door de vennootschap. Het volgende wordt in herinnering geroepen.1 Het besluit tot verkoop van (de aandelen in) LaSalle was tot stand gebracht volgens de regels voor verdeling van de bevoegdheden over de organen van een vennootschap.2 Die verdeling brengt mee dat het bestuur van ABN Amro in beginsel beslist over verkoop van de (klein)dochter LaSalle. De verkoop kon echter van beslissende invloed zijn op een mogelijke transactie met de aandelen in ABN Amro.3 Over die transactie gaan de aandeelhouders van ABN Amro. De verkoop van LaSalle viel daarom naar het oordeel van de Ondernemingskamer onder de werkingssfeer van artikel 2:107a lid 1 BW; de aandeelhouders van ABN Amro hadden de gelegenheid moeten krijgen zich over de voorgenomen verkoop van LaSalle uit te spreken. Dat was niet gebeurd. Die gang van zaken was – naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer – gegronde reden voor twijfel.4 De Hoge Raad zou die beslissing nadien casseren en oordelen dat artikel 2:107a lid 1 BW hier toepassing mist.5
Pogingen tot concretisering van een objectieve norm ter voorkoming van twijfel aan een juist beleid, leiden in het licht van deze casus tot de volgende opmerkingen. Een koper heeft recht op nakoming van de koopovereenkomst.6 Dat brengt mijns inziens mee dat de verkopende rechtspersoon tegenover de koper gehouden is het proces van zijn besluitvorming tot het aangaan van de koopovereenkomst zo in te richten, dat in de overeenkomst geen aanleiding tot tekortkoming in de nakoming zit ingebakken.7 De tekortkoming is dan immers voorzienbaar. Maar voor het overige is het besluitvormingsproces van de verkoper een interne vennootschappelijke kwestie, waar de koper in beginsel niets mee te maken heeft. De verkoper is niet in het algemeen tegenover de koper gehouden om gegronde twijfel over zijn besluitvormingsprocedure en een enquête naar die besluitvorming te vermijden.
[288] Bij ABN Amro ging het om een type gebrek in de besluitvorming, waarvoor de wet bepaalt, dat het de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aantast.8 Als een bestuur, ter uitvoering van een besluit dat zonder de vereiste goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders tot stand is gekomen, tot buitenstaanders gerichte rechtshandelingen verricht, kan het ontbreken van goedkeuring niet aan die buitenstaanders worden tegengeworpen.9 Het gebrek in de besluitvorming van ABN Amro zou daarom geen externe werking hebben, zelfs als artikel 2:107a lid 1 BW hier wel van toepassing zou zijn geweest, aldus de Hoge Raad.10
Artikel 2:107a lid 2 BW is niet de enige wettelijke regeling voor specifieke gebreken in de besluitvorming. Vergelijkbaar zijn de artikelen 2:164 lid 2 BW en 2:274 lid 2 BW, die zien op het ontbreken van goedkeuring van de raad van commissarissen.11 Zulke bepalingen bieden derden (in de betekenis van wederpartij-buitenstaander) een zekere bescherming tegen concrete onvolkomenheden in de interne besluitvorming van de rechtspersoon, doordat die gebreken geen externe werking hebben.12
In deze alinea wordt uitgegaan van de veronderstelling, dat twijfel aan een juist beleid kan worden opgeroepen door een facet van de besluitvorming, dat wordt bestreken door een wettelijke regeling die de contractpartner beschermt.13 Tegen de achtergrond van die veronderstelling wordt de volgende vraag onderzocht. Is het bestaan van die beschermende regelgeving van betekenis voor een eventuele objectieve norm? Met andere woorden: brengt de omstandigheid dat zo’n wettelijke regeling bestaat mee, dat de vennootschap tegenover haar contractpartner gehouden is om twijfel te voorkomen over dat specifieke onderdeel van haar beleid?
Enerzijds biedt het bestaan van zo’n wettelijke regeling aanknopingspunten om zo’n objectieve norm aan te nemen. De wetgever heeft de bescherming van de wederpartij tegen bepaalde onvolkomenheden in de besluitvorming van de vennootschap klaarblijkelijk zo belangrijk gevonden, dat hij er expliciete regelingen voor heeft ontworpen. Aan het belang van de wederpartij is zodoende veel gewicht toegekend. Het is aannemelijk dat een zorgvuldig schuldenaar dat belang respecteert.
Anderzijds maakt de wettelijke beschermingsregeling zo’n objectieve norm vanuit het oogpunt van de wederpartij overbodig. Manco’s in de interne besluitvorming van de vennootschap raken hem immers niet. Dat betekent dat een objectieve norm, die ertoe strekt dat de vennootschap twijfel aan haar beleid voorkomt, hier geen doel dient. Hiervoor is betoogd, dat bij gebreke aan een doel, een objectieve norm ter vermijding van twijfel aan het beleid bestaansrecht mist.14 Dat geldt mijns inziens ook als de twijfel ziet op facetten van de besluitvorming, die vallen onder de toepasselijkheid van wettelijke regelingen die wederpartijen beschermen. De zojuist opgeworpen vragen beantwoord ik dan ook ontkennend. Ik kom tot de slotsom dat het bestaan van een wettelijke beschermingsregeling niet afzonderlijk een argument biedt om een objectieve norm aan te nemen, die de vennootschap tegenover haar wederpartij verplicht twijfel aan haar beleid te voorkomen.15