Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.2.1.4.a:6.2.1.4.a Invorderingsfaciliteit bij overlijden
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.2.1.4.a
6.2.1.4.a Invorderingsfaciliteit bij overlijden
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS351622:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De erfgenamen moeten een verzoek doen om art. 4.12a Wet IB 2001 van toepassing te laten zijn. Er zijn geen eisen aan het verzoek gesteld. In art. 4e Wet DB 1965 jo. art. 1ab Uitvoeringsbeschikking DB 1965 is ten aanzien van de dividendbelasting bepaald dat de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat met betrekking tot het dividend een verzoek zal worden gedaan om toepassing van art. 4.12a Wet IB 2001.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder de huidige wetgeving is voor de situatie waarin een ab-houder komt te overlijden geen invorderingsfaciliteit ter zake van de ab-claim opgenomen. Wel kunnen de in art. 4.17a en 4.17b Wet IB 2001 opgenomen doorschuiffaciliteiten worden toegepast. In mijn first-best voorstel heb ik ervoor gekozen deze doorschuiffaciliteiten niet meer op te nemen. Dit maakt het naar mijn mening nodig om een invorderingsfaciliteit voor het overlijden van de ab-houder te creëren. Bij een overdracht als gevolg van overlijden komen geen middelen vrij om de belasting te voldoen. In feite is dit bezien vanuit de doelstelling van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten, het voorkomen van continuïteitsproblemen bij de kapitaalvennootschap als gevolg van de belastingbetaling, alleen een probleem indien de middelen ter voldoening van de belasting uit de vennootschap moeten worden gehaald. Indien dit aan de orde is, is er naar mijn mening reden voor de overheid om in te grijpen. Aan het kunnen toepassen van de faciliteit moeten voorwaarden worden gesteld. Zo zal voorkomen moeten worden dat van de faciliteit gebruik wordt gemaakt indien in de nalatenschap voldoende middelen aanwezig zijn om de belasting te voldoen. Overeenkomstig hetgeen in paragraaf 6.2.1.3.a aan de orde is geweest, is het (marktconform) rentedragend maken van de faciliteit voldoende om het gebruik van de faciliteit af te remmen tot die situaties waarin de faciliteit echt nodig is. Er behoeven geen voorwaarden te worden gesteld ten aanzien van het type ab van de overdrager. Het gaat erom dat in de vennootschap een materiële onderneming wordt gedreven.
De doeltreffendheid wordt verder vergroot indien alleen een beroep kan worden gedaan op deze invorderingsfaciliteit voor zover de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan ondernemingsvermogen. Voor het beleggingsvermogen geldt dat dit vermogen in principe vrij beschikbaar is of kan worden gemaakt om de ab-claim te voldoen zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Het begrip ondernemingsvermogen kan worden overgenomen uit het huidige art. 4.17a, zesde lid, Wet IB 2001 (zie uitgebreid paragraaf 4.2.4.3.d), met uitzondering van de beleggingsmarge. In paragraaf 4.2.4.3.e is geconcludeerd dat een beleggingsmarge van 5% van de waarde in het economische verkeer van het ondernemingsvermogen doelmatig is indien op het eerste gezicht duidelijk is dat weinig beleggingsvermogen aanwezig is. Dit weegt evenwel niet op tegen de kosten voor de overheid naarmate het ondernemingsvermogen toeneemt en dus ook het bedrag aan beleggingsvermogen dat op grond van de doelmatigheidsmarge als ondernemingsvermogen gaat kwalificeren.
Voor de duur van het uitstel sluit ik aan bij de tienjaarstermijn geldend voor de situatie waarin de winstgenieter komt te overlijden (zie paragraaf 6.2.1.3.a).
Indien de faciliteit alleen kan worden toegepast voor ondernemingsvermogen moet mijns inziens ook een faciliteit van toepassing zijn met betrekking tot vergelijkbare indirecte belangen. Hiervoor kan eenvoudigweg worden aangesloten bij het huidige art. 4.17a, vijfde lid, Wet IB 2001.
Het huidige art. 4.12a Wet IB 2001 (dividendfaciliteit) dient behouden te blijven. Op grond van deze bepaling kan de kapitaalvennootschap aan de erfgenamen dividend uitkeren zonder dat daarover in box 2 inkomstenbelasting moet worden betaald.1 Het dividend moet worden genoten binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater. Dit kan tot maximaal het bedrag dat bij de erflater als inkomen uit ab in aanmerking is genomen. Onder de huidige regeling kan dit bij toepassing van de doorschuiffaciliteit alleen betrekking hebben op de waarde van de aandelen toerekenbaar aan het beleggingsvermogen. Overigens biedt de tekst van art. 4.12aWet IB 2001 ook ruimte tot toepassing van de bepaling indien ervoor is gekozen niet door te schuiven. In dat geval bevat het bij de erflater genoten inkomen uit ab de totale waarde van de aandelen (dus inclusief de aan het ondernemingsvermogen toerekenbare waarde). Onder mijn voorstel geldt evenwel geen doorschuifmogelijkheid meer bij overlijden, maar een invorderingsfaciliteit voor zover de belastingclaim is toe te rekenen aan ondernemingsvermogen. Art. 4.12a Wet IB 2001 moet dan ook alleen kunnen worden toegepast voor zover de waarde van de aandelen ziet op beleggingsvermogen.