Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/6.2.3
6.2.3 Bevoegdheden uit het recht van pandgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264440:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Bülow 2017, nr. 509; Brünink 2018a, nr. 10.7; Damrau 2020, nr. 1213.1-1213.2.
§100 BGB, in verbinding met §99 BGB; Palandt/Ellenberger 2019, nr. 99.1-100.2; Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.3; Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.3.
Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.10
Bülow 2017, nr. 506 en 510; Brünink 2018a, nr. 10.7 10.86; Palandt/Wicke 2019, nr. 1216.1 en nr. 1214.4; Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1214.3; Damrau 2020, nr. 1214.3.
Brünink 2018a, nr. 10.102; Palandt/Wicke 2019, nr. 1213.1; Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.3; Damrau 2020, nr. 1213.1.
Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.4; Damrau 2020, nr. 1213.2.
Bülow 2017, nr. 629; Brünink 2018b, nr. 12.2; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1273ff.1. Zie voorts §6.5.
Bülow 2017, nr. 700-702; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1281.1-1281.2; Damrau 2020, nr. 1281.1-2.
§1287 BGB; Bülow 2017, nr. 701; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1287.1; Damrau 2020, nr. 1287.2.
§1288 BGB; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1288.1-4; Damrau 2020, nr. 1288.2-3.
Vgl. §2.5.1. Vgl. Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1288.2; Damrau 2020, nr. 1288.1.
Bülow 2017, nr. 704; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1288.5; Damrau 2020, nr. 1288.4. Als de geïnde vordering luidt in iets anders dan geld, komt op het geïnde een pandrecht te rusten ten gunste van de innende pandhouder: §1287 BGB; Damrau 2020, nr. 1282.1.
Brünink 2018b, nr. 12.25; Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.4; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1289.1; Damrau 2020, nr. 1213.2 en 1289.3.
Brünink 2018b, nr. 12.25; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1289.1; Damrau 2020, nr. 1289.3.
§1283 BGB; Brünink 2018b, nr. 12.119-120; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1283.3-1283.4; Damrau 2020, nr. 1286.1-4.
Brünink 2018b, nr. 12.2; Reichert & Weller 2018, nr. 15.275.
Reichert & Weller 2018, nr. 15.281 en 15.291; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1274.75; Damrau 2020, nr. 1274.56.
Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1274.75. Reichert & Weller 2018, nr. 15.291; Damrau 2020, nr. 1274.56.
Damrau 2020, nr. 1274.56.
§100 BGB, in verbinding met §99 BGB; Palandt/Ellenberger 2019, nr. 99.1-100.2; Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.3; Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.3.
Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1274.76; Reichert & Weller 2018, nr. 15.300-15.301; Damrau 2020, nr. 1274.60.
Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1274.77; Reichert & Weller 2018, nr. 15.292-15.293; Damrau 2020, nr. 1274.60.
§§31-34 UrhG; Brünink 2018b, nr. 12.97; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1274.89.
§15 PatG; §29 Abs. 1 MarkenG; Brünink 2018b, nr. 12.98; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1274.91-1274.94.
Brünink 2018b, nr. 12.99; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1274.95.
In de literatuur (zie onderstaande verwijzingen) beperkt de aandacht voor de toepassing van een recht van pandgebruik op IE-rechten zich tot het recht van pandgebruik op een octrooirecht. Het ligt echter voor de hand dat uit een recht van pandgebruik op andere IE-rechten hetzelfde geldt.
Brünink 2018b, nr. 12.98; Staudinger/D. Wiegand 2019, nr. 1274.92.
Damrau 2017, nr. 1274.80.
Zie in algemene zin Staudinger/W. Wiegand 2019, nr. 1213.2; Damrau 2020, nr. 1213.1.
Roerende zaken (pandrecht)
Het recht van pandgebruik op roerende zaken houdt in dat de pandgebruiker gerechtigd is tot de Nutzungen van het onderpand.1Nutzungen zijn de natuurlijke en burgerlijke vruchten van een zaak en alle andere voordelen die voortvloeien uit het gebruik van een zaak. Dit betekent dat het recht van pandgebruik meebrengt dat de pandgebruiker de vruchten van het onderpand mag trekken, en daartoe het onderpand mag gebruiken.2 Als alle vermogensbestanddelen van een onderneming zijn bezwaard met rechten van pandgebruik, kan aan de pandgebruiker het recht toekomen de onderneming te drijven.3 Iedere pandhouder heeft recht op vergoeding van kosten die hij in de uitoefening van het recht van pandgebruik heeft gemaakt ten behoeve van het onderpand (§1216 BGB). Deze vordering wordt gedekt door het pandrecht.4
De pandgebruiker wordt op grond van §1213 Abs. 1 BGB juncto §954 BGB eigenaar van de getrokken vruchten door hun afscheiding van het pandobject.5 Voor burgerlijke vruchten (in het bijzonder vorderingen) geldt dat zij aan de pandgebruiker toekomen, alsof zij aan hem gecedeerd zijn.6
Vorderingen
De verpanding van vorderingen dient naar Duits recht openbaar te geschieden (zie §6.2.1). Aangezien voor de cessie van vorderingen geen mededeling vereist is, geeft de praktijk de voorkeur aan zekerheidscessie (Sicherheitsabtretung) boven verpanding.7
Welke rechten aan de openbaar pandhouder van vorderingen toekomen, hangt af van het antwoord op de vraag of de pandgever in verzuim is met de (terug)betaling van de gesecureerde vordering. Vóór verzuim is de pandhouder niet zelfstandig bevoegd de verpande vordering te innen. De pandgever en pandhouder zijn enkel gezamenlijk inningsbevoegd.8 Na deze gezamenlijke inning wordt de pandgever rechthebbende van het geïnde. De pandhouder krijgt van rechtswege, door zaaksvervanging, een pandrecht op het geïnde (Ersatzpfand). Dit betekent dat de pandhouder het geïnde feitelijk onder zich dient te krijgen.9 Betreft het geïnde een geldsom, dan zijn de pandgever en de pandhouder gezamenlijk verplicht deze geldsom te storten op een rentegevende (sic) spaarrekening.10 Deze verplichting doet denken aan een gebruiksplicht die voortvloeit uit het recht van pandgebruik. Partijen dienen er immers voor te zorgen dat het geïnde geld burgerlijke vruchten oplevert, in de vorm van rente.11 Als de pandgever in verzuim komt met de terugbetaling van de gesecureerde vordering, wordt de pandhouder zelfstandig, met uitsluiting van de pandgever, bevoegd de verpande vordering te innen. Het geïnde komt in mindering op de gesecureerde vordering.12
In het geval van de verpanding van een vordering komt alleen een recht van pandgebruik tot stand als partijen een daartoe strekkend beding hebben opgenomen in de pandakte. Het rechtsgevolg van een recht van pandgebruik is ten eerste dat de pandhouder bevoegd is de rente over de verpande vordering te innen, ongeacht of de pandgever in verzuim is met de terugbetaling van de door het pandrecht gesecureerde vordering. De rente komt de pandgebruiker toe alsof zij aan hem gecedeerd is.13 Bedingen partijen geen recht van pandgebruik, dan komt op de verschuldigde rente een pandrecht tot stand.14 Tot de pandgever in verzuim komt, zijn de pandgever en de pandhouder enkel gezamenlijk bevoegd de rente te innen, zoals dit geldt voor iedere verpande vordering. Ten tweede leidt een recht van pandgebruik ertoe dat de pandgever de verpande vordering niet door opzegging opeisbaar kan maken. De pandgever heeft voor zo’n opzegging de toestemming nodig van de pandgebruiker. Zonder recht van pandgebruik is de pandgever wel bevoegd om de verpande vordering door opzegging opeisbaar te maken. Zelfs als de pandgever in verzuim is, heeft hij hiertoe geen toestemming nodig van de pandhouder.15
Aandelen
De vereisten voor de verpanding van aandelen wijken niet af van de vereisten voor overdracht van aandelen. De praktijk geeft voor zekerheidsverschaffing op aandelen de voorkeur aan het pandrecht boven de zekerheidsoverdracht.16 Uit het pandrecht op aandelen volgt geen recht van pandgebruik, tenzij partijen dit recht uitdrukkelijk in de pandakte hebben bedongen.17
Het recht van pandgebruik op aandelen brengt mee dat de pandgebruiker bevoegd is om dividenden te innen. Dividend geldt als een burgerlijke vrucht van een aandeel.18 Als een aandeel bezwaard is met een recht van pandgebruik, kan de vennootschap een dividendvordering alleen bevrijdend betalen aan de pandgebruiker. Hiertoe is wel vereist dat het recht van pandgebruik aan de vennootschap is medegedeeld.19 Is een dividendvordering evenwel verpand of tot zekerheid gecedeerd voordat het aandeel is bezwaard met een recht van pandgebruik, dan dient de pandgebruiker het pandrecht op de dividendvordering tegen zich te laten gelden. De pandgebruiker is niet bevoegd een eerder verpande dividendvordering te innen.20
Andere bevoegdheden komen aan de pandgebruiker niet toe. In het bijzonder is de pandgebruiker niet stemgerechtigd.21 De pandgebruiker kan wel een stemovereenkomst sluiten met de pandgever, of zich een herroepelijke stemvolmacht laten toekennen. Een onherroepelijke stemvolmacht is evenwel niet mogelijk.22 In de verhouding tot de vennootschap kan de pandgever zich niet definitief het stemrecht laten ontnemen ten faveure van de pandhouder. De pandgever is bevoegd te handelen in strijd met een steminstructie van de pandhouder, of een aan de pandhouder gegeven stemvolmacht in te trekken om zelf het stemrecht uit te oefenen.23
IE-rechten
Voor IE-rechten gelden voor verpanding dezelfde vereisten als voor overdracht. Auteursrechten zijn niet overdraagbaar of verpandbaar; het recht om een auteursrechtelijk beschermd werk te gebruiken is wel overdraagbaar, en dus verpandbaar. Voor de overdracht of verpanding van zo’n gebruiksrecht is wel de toestemming van de auteursgerechtigde vereist.24 Merkrechten en octrooirechten zijn zonder beperkingen overdraagbaar en verpandbaar.25 Licenties gelden als rechten die zijn afgeleid uit een IE-recht. Een licentie is dus overdraagbaar en verpandbaar op dezelfde wijze als het IE-recht waaruit zij is afgeleid. Wel kan het voorkomen dat een exclusieve licentie naar haar aard onoverdraagbaar of onverpandbaar is.26 Op een IE-recht komt in beginsel geen recht van pandgebruik tot stand. Als partijen toch kiezen een recht van pandgebruik op een IE-recht te vestigen, vloeien uit zo’n recht van pandgebruik twee belangrijke rechten voor de pandgebruiker voort.27 Ten eerste is de pandgebruiker bevoegd om de burgerlijke vruchten van het IE-recht te innen. Dit betekent in het bijzonder dat de pandgebruiker bevoegd is om betalingen te innen voor licenties die betrekking hebben op het verpande IE-recht. Deze betalingen gelden als Nutzungen van het IE-recht en komen daarom toe aan de pandgebruiker.28 Ten tweede is de pandgebruiker bevoegd om het verpande IE-recht uit te oefenen en licentieovereenkomsten met derden te sluiten ten aanzien van het gebruik van het IE-recht.29 Overigens is het ook mogelijk om de pandgebruiker alleen bevoegd te maken om betalingen voor licenties te innen, en niet het IE-recht uit te oefenen.30 Deze afspraak ligt voor de hand als de pandgever de controle over zijn IE-recht niet volledig wil verliezen en de pandhouder niet de infrastructuur heeft om het IE-recht zelf te exploiteren.
Inning van huurvorderingen
De gebruiksbevoegdheid van de pandhouder omvat niet de bevoegdheid tot verhuur, tenzij partijen deze bevoegdheid uitdrukkelijk hebben opgenomen in de pandakte.31 Wel is de pandgebruiker bevoegd om de burgerlijke vruchten van het pandobject te innen. Dit betekent dat de pandgebruiker bijvoorbeeld huurvorderingen mag innen als het pandobject ten tijde van de vestiging van het pandrecht aan een derde was verhuurd.