Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.6.9.0
II.6.9.0 Introductie
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285090:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een meer recent pleidooi voor een grondwetskamer: Rijkelijkhuizen, NJB 2008/2013.
De overige ‘dissidenten’ waren de commissieleden Hooijkaas, Kernkamp, Rutgers, Schouten en Tilanus.
Zie de nota Donner c.s. bij het Interim-rapport van de Staatscommissie tot herziening van de Grondwet, ingesteld bij koninklijk besluit van 17 april 1950, nr. 25, p. 40-42.
Ibid., p. 40-42.
Ibid., p. 40-42.
Ibid., p. 42.
De belangrijkste bepalingen van het regeringsvoorstel luiden als volgt: “Artikel 203: Een voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart, dat er grond bestaat om het voorstel, zoals zij het vaststelt, in overweging te nemen. De wet kan bepalen, dat over door haar aangewezen onderdelen van het voorstel door de Kamer voor Grondwetsherziening afzonderlijk kan worden beslist.Artikel 204: Binnen twee maanden na de afkondiging van wetten, houdende voorstellen tot verandering in de Grondwet, geeft de Koning last tot het verkiezen van een Kamer voor Grondwetsherziening. De Kamer voor Grondwetsherziening komt bijeen binnen drie maanden na de last des Konings. De zitting van de Kamer wordt door of namens de Koning geopend en, nadat over de voorstellen is beslist, gesloten. Als griffier der Kamer treedt op de griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Ten aanzien van de Kamer zijn de artikelen 83, 84, 87, 89, 90, 94, derde lid, 95, 97, eerste lid, 99, eerste lid, 100, 101, 104, 108 en 113, alsmede de wet, bedoeld in het tweede lid van artikel 84, van overeenkomstige toepassing.Artikel 204a De Koning zendt de vastgestelde voorstellen tot verandering in de Grondwet aan de Kamer voor Grondwetsherziening. De Kamer kan niet dan met twee derden der uitgebrachte stemmen de voorstellen aannemen. Zij kunnen niet worden ingetrokken of gewijzigd […].” Zie Kamerstukken II 1951/52, 2341, 2.
Oud 1970, p. 44; Van den Braak, Openbaar bestuur 2010, p. 18.
Schutgens & Sillen 2018, p. 85.
De idee van een grondwetskamer passeert met enige regelmaat de revue.1 Op het eerste gezicht lijkt de grondwetskamer te mooi om waar te zijn. Immers, een grondwetskamer verenigt het aspect van een representatief stelsel met verkiezingen ten aanzien van één of een beperkt aantal herzieningsvoorstellen. De bedoeling is dat de kiezer naar de stembus gaat om een volksvertegenwoordiger te kiezen met het oog op een grondwetsherziening. Dat lijkt zuiverder dan het huidige stelsel van ontbindingsverkiezingen, waarbij de verkiezingen ook gaan over andere thema’s. Ondanks deze aantrekkelijkheid bestaan er bezwaren tegen de grondwetskamer.
Deze bezwaren kwamen al naar voren in de jaren ’50. De Staatscommissie-Van Schaik kreeg in 1950 van het kabinet-Drees/Van Schaik de opdracht om een algehele grondwetsherziening voor te bereiden, waaronder de grondwetsherzieningsprocedure. Het ontwerp ten aanzien van de grondwetherzieningsprocedure zag er als volgt uit: na een eerste lezing volgden er – aldus het voorstel - binnen twee maanden verkiezingen voor een grondwetskamer. Met een gekwalificeerde meerderheid van twee derden moest deze kamer beslissen in de tweede lezing. Deze staatscommissie was niet unaniem over de herzieningsprocedure. In een nota bij een interim-rapport bleken Donner en enkele andere commissieleden2 resoluut tegen de plannen van de Staatscommissie voor een grondwetskamer.3 Wat waren de argumenten van deze critici?
De invoering van een grondwetskamer zou volgens de Staatscommissie een verbetering inhouden van het stelsel sinds 1848, aangezien verkiezingen nadrukkelijker een kiezersraadpleging zouden gaan inhouden over een grondwetsherziening. Interessant is dat Donner c.s. stelden dat het hier helemaal niet ging om een verbetering van een aspect dat al in de procedure vervat lag. Volgens Donner c.s. ging de Staatscommissie met deze opzet een heel andere inrichting in. Het betrof hier niet een verbetering of een accentverschuiving in het licht van het systeem van 1848. Van de kiezer zou tijdens de verkiezingen voor een Grondwetskamer namelijk gevraagd worden om zich expliciet (in negatieve of in positieve zin) uit te spreken over de voorliggende voorstellen, die op het moment van de verkiezing volledig bekend zijn. Hiermee was een kiezersraadpleging beoogd. Donner c.s. stelden – in tegenstelling tot de Staatscommissie - dat een kiezersraadpleging helemaal niet duidelijk besloten ligt in het geldende systeem sinds 1848:
‘Anders dan de Staatscommissie, welke blijkens haar toelichting de gedachte ener "raadpleging der bevolking" reeds thans in het dertiende hoofdstuk meent aan te treffen, menen ondergetekenden, dat die gedachte minder vast in dit hoofdstuk is verankerd, dan de Staatscommissie suggereert, en overigens aan de Nederlandse politieke zeden vreemd moet worden geacht.’4
Waarom is deze gedachte van een kiezersraadpleging niet vast verankerd in het Nederlandse stelsel? Donner c.s. stelden onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij de procedure van 1848 dat de verantwoordelijkheid om een voorstel in tweede lezing te beoordelen bij de (nieuwe) Staten-Generaal ligt en niet bij de bevolking. In zoverre is een ontbindingsverkiezing in het licht van een grondwetsherziening niet meer of minder een kiezersraadpleging dan bij alle (periodieke) verkiezingen. Het gaat bij verkiezingen vooral om de vraag of de oude Staten-Generaal nog wel representatief zijn.5
Donner c.s. zagen er geen heil in om kiezers te dwingen om bij de verkiezingen voor de grondwetskamer zich belangstellend uit te laten over een grondwetsherziening.6 Bovendien waren zij kritisch over het mogelijke gevolg van een grondwetskamer dat de reguliere parlementaire werkzaamheden onderbroken zouden kunnen worden. Zij verwachtten dat de grondwetskamer bezet zou zijn met vooral leden van de Tweede Kamer en dat de verkiezingsstrijd veel beslag zou leggen op de werkzaamheden van parlementariërs.
Het regeringsvoorstel, ingediend op 31 oktober 1951, volgde ondanks deze kritiek de tekst van de Staatscommissie.7 Uit het voorlopig verslag van 14 januari 1952 bleek ook dat er binnen de Kamer veel kritiek bestond. Uit de zeer uitgebreide en lange beraadslagingen bleek een veelvoud aan visies en bijbehorende amendementen.8 De regering trok het voorstel uiteindelijk in.9
Ook in een meer recente bijdrage bestaat terechte kritiek op de grondwetskamer. Schutgens & Sillen wijzen er terecht op dat een grondwetskamer in een tweede lezing enkel beslist over het aannemen of verwerpen van een voorstel. Zij vragen zich af wat de winst is om hier vast te houden aan een representatief stelsel, omdat kandidaten enkel voor of tegen het voorstel kunnen zijn. Een referendum is daarom effectiever in het bereiken van een kiezersraadpleging.10 Volksvertegenwoordigers kunnen in een grondwetskamer nog met elkaar in debat kunnen treden om elkaar te overtuigen. Toch zou het opmerkelijk zijn in deze context als een kandidaat tijdens de campagne voor het voorstel is en op die grond is verkozen en daarna tegen het voorstel stemt.