Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.4.1.2
2.4.1.2 ‘Uit hoofde van zijn betrekking’
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285468:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Van Walsum/De Wilde 1920, blz. 356, nr. 400. Harms 1920, blz. 254 verwijst hiervoor naar de resolutie van 31 mei 1915, nr. 159. Vergelijk: H.W. de Wilde, De verplichting tot geheimhouding in zake vermogensbelasting, Weekblad voor Notaris-ambt en Registratie, 3 mei 1896, nr. 1375 en Van Walsum 1900, blz. 329 die verwijzen naar art. 16 Algemeene Instructie (1889) (I.M.).
Aanschrijving Minister van Financiën van 29 mei 1893, nr. 28, opgenomen in P.W. nr. 8408. Anders: Kamerlid Hartogh die meende dat klerken wél onder de geheimhoudingsbepaling vielen (Handelingen II 1891/92, blz. 1338-339).
Aanschrijving Minister van Financiën van 26 januari 1894, nr. 41, opgenomen in P.W. nr. 8572.
In par. 103 Leiddraad Bedrijfsbelasting 1893 wordt hier eveneens naar verwezen (De Klerck 1905, blz. 209).
Vide: Appendix A (art. 113 Ontwerp van wet (Wet IB 1908) en art. 29 Ontwerp van wet (heffing van een debietrecht op tabak). In de MvT (heffing van een debietrecht op tabak), Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 3, blz. 10 wordt gesteld dat: “De verplichting tot geheimhouding komt overeen met die in de wet op de bedrijfsbelasting opgenomen. Evenals daar heeft zij ook hier alle reden van bestaan”. Juist gezien de uitbreiding van ‘ambt’ naar ‘ambt of betrekking’ is die opmerking – dat de bepaling overeenkomt – feitelijk onjuist.
Art. 61 Wet IB 1914 en de schakelbepaling voor de commissie van aanslag in art. 69 Wet IB 1914 (in het ontwerp van wet respectievelijk genummerd. art. 58 en art. 65). Zie ook: NvW, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 1, blz. 4 en de toelichting op de NVW, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 2, blz. 6. Vergelijk: VV, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 9, blz. 61, MvA, Kamerstukken II 2013/14, 18, nr. 10, blz. 74 en NvW, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 11, blz. 79. Zie ook: Sinninghe Damsté 1931, blz. 343.
Op de klerken en bedienden die werkzaam waren bij de ambtenaren der registratie was de geheimhoudingsbepaling van art. 47 Wet VB 1892 of art. 35 Wet op de BB 1893 niet van toepassing. Zij bekleedden immers geen ambt.1 Zij waren echter krachtens administratieve voorschriften tot geheimhouding verplicht. In de aanschrijving2 van 29 mei 1893 en de aanschrijving3 van 26 januari 1894 werden praktische handvatten gegeven over de strikte geheimhoudingsbepalingen in de Wet VB 1892 en de Wet op de BB 1893.4 Gewezen werd op de strikte geheimhouding en de handhaving daarvan. Klerken en bedienden moesten zo duidelijk mogelijk een verplichting tot geheimhouding worden opgelegd waarbij zou moeten worden gewezen op de strafbepalingen van art. 272 Sr. Hierbij werd uitdrukkelijk gewezen op de verplichting om tegenover elkaar eveneens de geheimhouding in acht te nemen. Ingeval de voorschriften nauwkeurig zouden worden opgevolgd zou het vertrouwen van het publiek en daardoor de behoorlijke naleving van de wet worden bevorderd.
Vergelijkbaar met het Ontwerp van wet op de BB 1893 kwam de passage ‘ambt of betrekking’ voor in de geheimhoudingsbepalingen van het (ingetrokken) wetsvoorstel IB 1908 en het (ingetrokken) wetsvoorstel tot heffing van een debietrecht op tabak.5 Uiteindelijk werd in de geheimhoudingsbepaling van de Wet IB 1914 de zinsnede ‘ambt of betrekking’ opgenomen. Hierdoor kwamen ook de rechtstreeks bij de uitvoering van de wet betrokken niet-ambtenaren, zoals klerken en bedienden en de niet-ambtelijke leden van de schattingscommissie of de commissie van aanslag, rechtstreeks onder de geheimhoudingsbepaling van art. 102 Wet IB 1914 te vallen. Desondanks werd het voor de niet-ambtelijke leden van de verschillende commissies nog steeds wenselijk geacht om de geheimhouding tevens op te nemen in een eed of gelofte om zodoende te verzekeren dat deze leden hiervan op de hoogte waren.6