Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.3.5
3.3.5 Overige vormen van uitbuiting
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390985:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Gedwongen arbeid betreft daarbij een minder grote inbreuk op de persoonlijke vrijheid dan dienstbaarheid en een nog minder grote inbreuk op deze vrijheid dan slavernij. Zie ook Lestrade & Rijken 2014, p. 670. Hoofdstuk 5 nuanceert de stelling dat gedwongen arbeid altijd een inbreuk op de persoonlijke vrijheid met zich brengt enigszins.
Kamerstukken II 2003/04 29 291, nr. 3, p. 18. Uit het VN Protocol mensenhandel en het EU Kaderbesluit mensenhandel volgt dat de instemming met de uitbuiting niet relevant is, indien een van de dwangmiddelen is gebruikt. De wetgever was echter van mening dat deze vaststelling niet tot uitdrukkelijke wetgeving behoefte te leiden. (Kamerstukken II 2003/04 29 291, nr. 3, p. 19).
Zie hoofdstuk 2.
HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, r.o. 4.4.3, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen. Het Hof Den Haag had in deze zaak geoordeeld dat bij uitbuiting van belang is of de wil van de slachtoffers zodanig is beïnvloed dat zij niet of slechts in aanzienlijk verminderde mate de mogelijkheid hebben een vrije keuze te maken. Hier was volgens het hof geen situatie aanwezig waarin de slachtoffers (meisjes) in redelijkheid niet of nauwelijks keuzevrijheid/wilsvrijheid hadden met betrekking tot de invoer van hasj door hen. Zie Hof Den Haag 6 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3398 (Hasjsmokkel).
HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1100, r.o. 2.3, NJ 2015/228.
Hof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2014 ECLI:NL:2014:9415, Rb Gelderland 12 juni 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3166 (Zwendel met telefoonabonnementen).
HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556, r.o. 2.5.2, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen.
Rb Den Haag 20 januari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:456 (Stomerij).
Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2257 (Boerdijk) vrijspraak van artikel 273f Sr lid 1 sub 1, 4 en 6.
Rb Den Haag 8 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2367 (Filipijnse offshore medewerkers).
Rb Rotterdam 28 juli 2007, ECLI:NL:RBROT:2017:6451 (Servische vrachtwagenchauffeurs).
Rb Overijssel 16 oktober 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3888 (Marokkaanse illegale man in tuindersbedrijf).
Rb Rotterdam 21 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1688.
Rb Gelderland 23 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6541 en Rb Noord-Holland 9 maart 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:2328.
Rb Rotterdam 1 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3785 (Schuldbinding Hongaren).
Vergelijk de zaken Rb Zeeland-West-Brabant 23 juli 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:4870 (Gedwongen afsluiten telefoonabonnementen) en Hof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2014 ECLI:NL:2014:9415 (Zwendel met telefoonabonnementen). Zie ook § 2.3.4.
Knigge spreekt van twee polen die van belang zijn bij een uitbuitingssituatie: 1) de afhankelijkheid van de tewerkgestelde en de mate van onvrijheid waarmee de tewerkstelling gepaard gaat en 2) de (slechte) arbeidsvoorwaarden en het economisch gewin dat als gevolg daarvan door de werkgever wordt behaald. De twee polen kunnen worden gezien als communicerende vaten: hoe groter de onvrijheid, hoe minder belangrijk het economisch gewin wordt. Indien bijvoorbeeld een werknemer tijdens het werk wordt vastgeketend en wordt opgesloten, is sprake van uitbuiting, ook als met het loon weinig mis zou zijn. Als daarentegen de werknemer wel bewegingsvrijheid wordt gelaten, zal de uitbuiting vooral gezocht moeten worden in de erbarmelijke arbeidsvoorwaarden en het daardoor behaalde economisch gewin. Zie Conclusie Knigge bij HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI7099 (56), NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
De minister heeft dit opgenomen naar aanleiding van de implementatie van de EU Richtlijn mensenhandel 2011/36/EU, zie § 3.2.3.
Rb Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2679. Voorts wordt artikel 57 Sr (meerdaadse samenloop) van toepassing geacht.
Rb Gelderland 21 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8040. Wederom wordt artikel 57 Sr (meerdaadse samenloop) van toepassing geacht.
Rb Midden-Nederland 28 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5642.
Rb Den Haag 30 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7262.
Hof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9415 (Zwendel met telefoonabonnementen I, door de Hoge Raad in stand gelaten, zie HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen), Rb Gelderland 10 juni 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:3640 (Zwendel met telefoonabonnementen II), Hof Amsterdam 7 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY3257 (Telefoonabonnementen II), Rb Dordrecht 20 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BM1743 (Babbeltruc) gedeeltelijke vrijspraak bij slachtoffers waarbij misbruik ten laste was gelegd.
De wetgever heeft het niet gelaten bij bovengenoemde uitbuitingsvormen. Er is geen limitatieve opsomming gegeven van alle strafbare vormen van uitbuiting. De opname van het woord ‘ten minste’ maakt duidelijk dat andere praktijken onder het begrip kunnen vallen. De volgende vraag is dan aan welke ‘andere uitbuitingsvormen’ moet worden gedacht en hoe ver de definitie van uitbuiting reikt. Betreft het zowel harmful exploitation als mutually advantageous exploitation? Kenmerkend voor de uitbuitingsvormen slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid is dat ze alle een inbreuk op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer met zich brengen.1 Het zijn dus allemaal vormen van harmful exploitation. Dient uitbuiting altijd gepaard te gaan met een vrijheidsinbreuk bij het slachtoffer?
Volgens de memorie van toelichting kan bij uitbuiting worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijk positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.2 De dwang duidt op een inperking van de vrijheid, maar ‘misbruik’ hoeft niet gepaard te gaan met vrijheidsbeperking.3 Het voorbeeld toont aan dat uitbuiting in artikel 273f Sr ook betrekking heeft op mutually advantageous exploitation, waarbij misbruik wordt gemaakt van omstandigheden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat niet in algemene termen is te beantwoorden of uitbuiting aan de orde is, maar dit sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. Hierbij komt in ieder geval betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengen en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.4 De factoren die de Hoge Raad noemt, zijn niet limitatief. Waarde komt toe aan ‘beperkingen voor de betrokkene’. Beperkingen kunnen duiden op een zekere onvrije positie van het slachtoffer. Maar ook het economisch voordeel wordt genoemd als relevante factor. Is deze factor op zichzelf voldoende voor een bewezenverklaring van uitbuiting? Teruggrijpend op het conceptuele model in hoofdstuk 2: ziet uitbuiting in het Nederlandse strafrecht enkel op het resultaat: oneerlijk gewin of dient eveneens sprake te zijn van een manco in het totstandkomingsproces? En zo ja, welk gebrek in het totstandkomingsproces maakt de uitbuiting strafbaar onder artikel 273f Sr?
Uit jurisprudentie valt in ieder geval op te maken dat een vrijheidsbeperking niet per definitie noodzakelijk is voor een bewezenverklaring van uitbuiting. Zo overweegt de Hoge Raad in zijn arrest van 24 november 2015:
‘Het Hof heeft het antwoord op de vraag of sprake is van uitbuiting, uitsluitend laten afhangen van de mate waarin betrokkenen de mogelijkheid hadden een vrije keuze te maken met betrekking tot de invoer van de verdovende middelen in Nederland. Door overige factoren, zoals het eventuele economische voordeel voor de verdachte en haar medeverdachten, niet te betrekken bij de vraag of sprake is van uitbuiting, en door voorts ten aanzien van de mate van keuzevrijheid geen onderscheid te maken tussen de minderjarige en de meerderjarige betrokkenen, heeft het Hof zijn oordeel dat het oogmerk van uitbuiting niet kan worden bewezen dan wel dat van uitbuiting geen sprake is geweest, ontoereikend gemotiveerd.’5
En in zijn arrest van 21 april 2015:
‘Het middel berust kennelijk op de opvatting dat geen sprake kan zijn van – kort gezegd – een ‘uitbuitingssituatie’ zoals bedoeld in art. 273f (oud) Sr op grond van de enkele blijkens gemaakte buitenlandse reizen bestaande moge- lijkheid voor het slachtoffer om zich aan de uitbuitingssituatie te onttrekken. Die opvatting is echter in haar algemeenheid onjuist.’6
Tegelijkertijd is in diverse zaken waar te nemen dat uitbuiting niet snel bewezen wordt geacht indien geen sprake is van dwang. Zo overweegt het Hof Arnhem-Leeuwarden in de zaak-‘Zwendel met telefoonabonnementen’ dat geen uitbuiting aan de orde was daar de activiteiten van de aangever beperkt zijn gebleven tot het afsluiten van enkele telefoonabonnementen en er geen noemenswaardige beperkingen waren.7 De Hoge Raad gaat daarin mee:
‘… het Hof heeft geoordeeld dat, in het bijzonder gelet op de aard en de korte duur (één of enkele dagen) van de diensten, de niet-noemenswaardige beperkingen die zij voor de betrokkenen meebrachten en het economische voordeel dat daarmee door de verdachte werd behaald, alsmede gelet op de overige (persoonlijke) omstandigheden van de betrokkenen, in geen van deze gevallen sprake was van uitbuiting. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.’8
Ook in de zaak-‘Stomerij’ spreekt de Rechtbank Den Haag vrij van (het oogmerk van) uitbuiting met betrekking tot sub 1, 4 en 6. In deze zaak had verdachte twee mannen uit Turkije misleid door een hoger salaris voor te spiegelen dan ze uiteindelijk kregen. Ook dienden ze vaker over te werken dan was afgesproken. Maar alhoewel de twee mannen de Nederlandse taal niet machtig waren, een schuld van ongeveer € 5.000 aan de verdachte hadden en woonruimte van hem huurden, verkeerden zij niet in een zodanige positie dat zij niet anders konden dan te werken voor verdachte. Zij werden op geen enkele wijze belemmerd in hun bewegingsvrijheid.9 In de zaak-‘Boerdijk’ acht het Hof Arnhem-Leeuwarden eveneens de arbeidsuitbuiting niet bewezen. Het betrof de tewerkstelling en huisvesting van Poolse arbeiders. Het hof oordeelt allereerst dat niet iedere afwijking van wat voor een mondige werknemer acceptabel is arbeidsuitbuiting oplevert. De werk- en leefomstandigheden waren niet onaanvaardbaar. Voorts was evenmin gebleken dat de Poolse werknemers in hun bewegingsvrijheid waren beperkt. Het hof komt uiteindelijk tot het oordeel dat geen sprake was van enig excessief arbeidsgerelateerd misbruik, zodat het oogmerk van arbeidsuitbuiting niet be- wezen kan worden.10 Verder oordeelt de Rechtbank Den Haag in zijn vonnis van 8 maart 2016 dat geen bewijs is voor de uitbuitingssituatie van Filipijnse offshore medewerkers.11 Hoewel duidelijk was dat de Filipijnen door de gedragingen van verdachte in een kwetsbare en afhankelijke situatie zijn gebracht en verdachte de Filipijnen relatief grote bedragen aan borg heeft laten betalen en andere kosten voor hun rekening heeft laten komen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte hier vervolgens gebruik van heeft gemaakt aldus de rechtbank. Een ander voorbeeld betreft de vrijspraak van uitbuiting van Servische vrachtwagenchauffeurs door de Rechtbank Rotterdam in het vonnis van 28 juli 2017.12 Weliswaar was sprake van slecht werkgeverschap door het niet volledig uitbetalen van lonen, het meewerken aan het overtreden van de Rijtijdenwet, het niet nakomen van afspraken en een onsympathieke opstelling, dit was onvoldoende voor een bewezenverklaring van uitbuiting. En tot slot spreekt de Rechtbank Overijssel een bedrijfsleider van een tuindersbedrijf vrij van uitbuiting.13 De bedrijfsleider bood onderdak aan een Marokkaanse man die illegaal in het tuindersbedrijf werkte en loon en onderdak kreeg. Dit leidde tot een zeer onwenselijke situatie waarvan het tuinbouwbedrijf voordeel genoot en op onwettige wijze arbeidskosten bespaarde. Als gevolg van een ongeval gedurende de – deels op eigen initiatief verrichte – illegale werkzaamheden heeft de Marokkaanse man bovendien grote nadelige gevolgen ondervonden. Toch kan volgens de Rechtbank niet worden geconcludeerd dat verkeerd gebruik is gemaakt van de feitelijke situatie als bedoeld in artikel 273f Sr.
Hoewel daadwerkelijke vrijheidsbeperking níet noodzakelijk is voor uitbuiting, maken de zaken ‘Zwendel met telefoonabonnementen’, ‘Stomerij’, ‘Boerdijk’, ‘Filipijnse offshore medewerkers’, ‘Servische vrachtwagenchauffeurs’ en ‘Marokkaanse illegale man in tuindersbedrijf’ duidelijk dat – indien geen dwang is uitgeoefend – minder snel tot een bewezenverklaring van uitbuiting wordt gekomen. Een bewezenverklaring lijkt slechts te volgen bij excessief misbruik waarbij slachtoffers redelijkerwijs geen andere keuze hebben dan het misbruik te ondergaan.
In de rechtspraak wordt het excessieve misbruik eerder aangenomen bij zeer kwetsbare personen, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren. Zo acht de Rechtbank Rotterdam uitbuiting aanwezig in de zaak-‘Huisvesting illegalen’, waarin verdachte onevenredig veel geld in rekening bracht voor de huisvesting. De slachtoffers vreesden voor uitzetting en waren zeer afhankelijk van de hulp van verdachte.14 Uitbuiting werd ook bewezen verklaard in twee zaken waarbij de slachtoffers drugsverslaafd waren en door hun verslavingsproblematiek, schulden en leefsituatie in een volstrekt ongelijkwaardige positie stonden ten opzichte van de verdachten.15 Tot slot volgde een bewezenverklaring van uitbuiting van Hongaren die door de verdachte in een situatie van schuldbinding waren gebracht en daardoor zeer afhankelijk van hem waren.16
Voorgaande bevindingen leiden tot de volgende gevolgtrekking. Uitbuiting in artikel 273f Sr hoeft niet gepaard te gaan met vrijheidsbeperking. Harmful exploitation dient niet noodzakelijkerwijs aan de orde te zijn. Tegelijkertijd is de juridische betekenis van uitbuiting enger dan de taalkundige betekenis. De enkele oneerlijke profijttrekking waarbij ‘een ander op ongunstige condities aan het werk wordt gezet om er zo veel mogelijk aan te verdienen’ (de Van Dale definitie) is onvoldoende voor strafrechtelijke uitbuiting. Indien geen sprake is van dwang, lijkt de rechtspraak – naast de oneerlijke profijttrekking – excessief misbruik te eisen voor de bewezenverklaring van uitbuiting. Het slachtoffer dient redelijkerwijs geen andere keuze hebben dan het misbruik te ondergaan. Dit is een verzwaarde vorm van mutually advantageous exploitation. De term verzwaard doelt op het excessieve misbruik dat is vereist in plaats van ‘niet-excessief’ misbruik.
Strafrechtelijke uitbuiting bestaat dus ofwel uit slavernij, dienstbaarheid of gedwongen arbeid waarbij de vrijheid van een ander wordt ingeperkt. Bij deze vormen van harmful exploitation is de mate van het oneerlijk economisch gewin van minder belang.17 Of het betreft harmful exploitation waarbij misbruik is gemaakt van onmacht. Ofwel het betreft mutually advantageous exploitation en bestaat uit oneerlijke profijttrekking van een ander. Hier is geen sprake van vrijheidsbeperking, maar wordt wel op een buitensporige manier misbruik gemaakt van omstandigheden van een ander en heeft die ander redelijkerwijs geen andere keuze dan het misbruik te ondergaan.18 Blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 27 oktober 2009 dienen voor het beoordelen van de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen, het economisch voordeel dat is behaald en andere relevante factoren de Nederlandse maatstaven als uitgangspunt te worden genomen.
Uitbuiting van strafbare activiteiten
Een laatste ontwikkeling die in dit kader nog relevant is, betreft de bijzondere vermelding van uitbuiting van strafbare activiteiten.19 Deze expliciete opname brengt de vraag met zich of uitbuiting eerder aan de orde is indien het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten dan het verrichten van andere arbeid. Verschillende zaken lijken aan te tonen dat dit inderdaad het geval is. Zo acht de Rechtbank Midden-Nederland uitbuiting bewezen omdat de verdachte zijn kleindochter had aangezet tot het plegen van één diefstal in de supermarkt (de gestolen waarde betrof € 60,-). Naast diefstal in vereniging, wordt het feit ten laste gelegd en bewezen verklaard als mensenhandel.20 De Rechtbank Gelderland acht de uitbuiting aanwezig bij een Brits echtpaar dat hun kinderen (een jongen en meisje van negen en zes jaar) had aangezet tot het plegen van een diefstal in de supermarkt in Arnhem. Het meisje had een boodschappenkar met diverse levensmiddelen gestolen (ter waarde van € 10,-), de jongen een flatscreentelevisie. Ook hier wordt het feit gekwalificeerd als diefstal in vereniging en mensenhandel.21 Verder volgt een bewezenverklaring van uitbuiting in een zaak waar de verdachte jonge kinderen in de leeftijd van 4 tot 10 jaar had ingezet bij een diefstal in een babywinkel, in de HEMA en in een tankstation. De feiten worden wederom geclassificeerd als zowel diefstal in vereniging als mensenhandel.22 In weer een andere zaak acht de rechtbank uitbuiting van strafbare activiteiten aanwezig omdat de verdachte drie kinderen (waarvan twee van haar dochters) meermalen geld heeft laten ophalen voor niet bestaande sponsorlopen. De zaak wordt enkel ten laste gelegd als mensenhandel, maar de rechtbank stelt vast dat dit ook een vorm van oplichting betreft.23
Het is opvallend dat de feiten in al deze zaken niet ten laste zijn gelegd als het ‘doen plegen’ van diefstal dan wel oplichting (artikel 47 Sr). Zeker in de zaken waarin het eenmalige diefstallen betrof en waarbij het economisch voordeel gering was, lijkt dat meer voor de hand te liggen gelet op de ernst van het feitencomplex en de zwaarte van de straffen. Zoals volgt uit de uitleg van de Hoge Raad is de aard van het werk van belang voor de beoordeling van uitbuiting. Het aanzetten tot strafbare feiten is wat dat betreft kwalijker dan het aanzetten tot andere werkzaamheden. Het betrof in alle zaken bovendien minderjarige slachtoffers. De overige relevante factoren zijn evenwel buiten beschouwing gelaten. Zo is niet uitdrukkelijk ingegaan op de omvang en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die het voor het slachtoffer meebrengt, en het voordeel dat door de verdachte is behaald. Zeker gelet op de zware kwalificatie mensenhandel en de hoge strafbedreiging is het de vraag of het wenselijk is dat één enkele diefstal, die waarschijnlijk niet langer dan een half uur heeft geduurd, waarbij het economische gewin niet buitengewoon was en geen sprake was van een harde vorm van dwang, voldoende is om van uitbuiting te spreken. De combinatie van minderjarige slachtoffers en het aanzetten tot strafbare feiten lijkt hier zwaar te wegen. Hier tegenover staan namelijk diverse zaken waarin volwassen slachtoffers zijn aangezet tot zwendel met telefoonabonnementen. In deze zaken volgde vrijspraak van uitbuiting.24 De misleiding van de volwassen slachtoffers en het aanzetten tot de criminele activiteit ‘zwendel’ was in deze gevallen onvoldoende voor een bewezenverklaring.