Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.2.2
I.2.2 De totstandkoming van de Grondwet van 1814 en haar herzieningsprocedure
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284999:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 70 van de Staatsregeling van het Bataafsche Volk: “Geene verandering, noch vermeerdering, dezer Grondregelen, noch ook der Staatsregeling, zal plaats grijpen, dan gestaafd door den wil des Volks, en naar derzelver voorschrift.”
Buijs 1884, p. 789.
Gijsbert Karel van Hogendorp en Frans Adam van der Duyn van Maasdam vormden dit voorlopig bewind. Over het lidmaatschap van Leopold van Limburg Stirum bestaat enige twijfel, zie: Slijkerman 2013, p. 129.
De Prins sprak hierbij de volgende tekst uit: “Welaan dan, ik zal mijne bedenkingen aan uwe wenschen opofferen; ik aanvaarde wat Nederland mij aanbiedt, maar ik aanvaarde het ook alleen onder waarborging eener wijze constitutie, welke uwe vrijheid tegen volgende mogelijke misbruiken verzekert; ik aanvaarde het, in het volle gevoel der verpligting, welke mij deze aanneming oplegt.” Zie: Colenbrander 1908, p. 47 e.v.
Zie voor de schets: Colenbrander 1908, p. 1. e.v.; Laurillard 1918, p. 1-14.
Er bestaan overigens meerdere versies van de schets van Van Hogendorp. Van Hogendorp verrichtte zelf aanpassingen en naar aanleiding van opmerkingen van de Prins.
De schets spreekt nog van ‘Koning’. In de uiteindelijke Grondwet van 1814 veranderde dit in Soeverein vorst.
Zie art. 13 van de schets.
Zie o.a. art. 6, 7 en 12 van de schets.
De Staten-Generaal zouden hiertoe drie kandidaten hiertoe nomineren, waarna de Koning uit deze drie genomineerden een raadpensionaris zou benoemen voor vijf jaar. De raadpensionaris had o.g.v. de ideeën van Van Hogendorp dezelfde rang als een hoofd van een ministerieel departement, maar kende een centrale positie in de Staten-Generaal.
Art. 35 van de schets: “Het beleid van de Vergadering der Staten Generaal geschiedt door den raadpensionaris.”
Zie art. 39 van de schets; Slijkerman 2013, p. 135.
Colenbrander 1908, p. 57.
Ibid., p. 14.
Slijkerman 2013, p. 55 e.v.
Overigens is de Amerikaanse procedure complexer, aangezien er verschillende alternatieve routes zijn ingebouwd zoals de procedure middels ‘state ratifying conventions’. Deze alternatieve route is één keer gevolgd bij de ratificatie van het 21e Amendement. Artikel V van de Amerikaanse Grondwet luidt: “The Congress, whenever two thirds of both houses shall deem it necessary, shall propose amendments to this Constitution, or, on the application of the legislatures of two thirds of the several states, shall call a convention for proposing amendments, which, in either case, shall be valid to all intents and purposes, as part of this Constitution, when ratified by the legislatures of three fourths of the several states, or by conventions in three fourths thereof, as the one or the other mode of ratification may be proposed by the Congress; provided that no amendment which may be made prior to the year one thousand eight hundred and eight shall in any manner affect the first and fourth clauses in the ninth section of the first article; and that no state, without its consent, shall be deprived of its equal suffrage in the Senate.”
Laurillard 1918, p. 14.
Ibid., p. 56.
Van der Pot 2014, p. 136.
Van der Pot 2014, p. 136.
De Prins wilde namelijk niet als Koning aangeduid worden, maar als Soeverein Vorst.
Van Poelgeest 2013, p. 69.
Van Poelgeest 2013, p. 69; Artikel 35 van de schets verdween uit de tekst van de Grondwet van 1814.
Colenbrander 1908, p. 337; Buijs 1884, p. 791.
Colenbrander 1908, p. 337.
Colenbrander 1908, p. 337.
Colenbrander 1908, p. 337-338.
Van der Pot 2014, p. 136.
Ibid., p. 136.
De totstandkoming van ons Koninkrijk kent een roemruchte geschiedenis. Het spreekt bij velen tot de verbeelding dat het Franse bewind eind 1813 eindigde en dat Prins Willem Frederik van Oranje-Nassau in Scheveningen aan land kwam. Nog geen half jaar later kwam een nieuwe Grondwet tot stand. Eén aspect van deze roerige tijd is vooral belangwekkend voor dit juridisch onderzoek: het proces van totstandkoming van het op het eerste gezicht onopvallende negende en laatste hoofdstuk van de Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden van 1814, genaamd: Van bijvoegselen, veranderingen en uitleggingen. Dit hoofdstuk bevatte voor het eerst een uitgebreide regeling voor een grondwetsherzieningsprocedure in Nederland. De Staatsregeling van het Bataafsche volk van 1798 bevatte weliswaar al eerder een regeling over de grondwetgevende macht, maar deze regeling was summier uitgewerkt.1 De daaropvolgende staatsregelingen van 1801, 1805 en 1806 bevatten op geen enkele wijze bijzondere regels over een herzieningsprocedure van de regeling zelf. 2
Nadat het Franse regime in november 1813 uit Nederland vertrok, nodigde een voorlopig bewind3 Prins Willem-Frederik per brief uit om de positie van soeverein te vervullen. Kort hierna keerde de Prins op 30 november 1813 terug en aanvaardde hij dit aanbod op 2 december 1813.4 De Prins gaf vervolgens opdracht aan een commissie om een Grondwet te construeren. Hiervoor had Van Hogendorp al in 1812 een schets gemaakt.5 Deze diende als uitgangspunt ter vervaardiging van de Grondwet in de commissie.6 De schets van Van Hogendorp stelde de positie van de Koning7 voorop. De Koning had het recht om wetten voor te dragen en de door de Staten-Generaal voorgedragen wetten goed- of af te keuren.8 Bovendien had de vorst bevoegdheid om de ministeriële departementen aan te stellen en op tal van gebieden besluiten te nemen.9 Een duidelijke afbakening van de bevoegdheid van de vorst was er niet. De hoofden van de ministeriële departementen kon hij benoemen en ontslaan. In de plannen van Van Hogendorp zouden de Staten-Generaal een tegenwicht moeten bieden voor de Koning. Van Hogendorp stelde in dat kader een raadpensionaris10 voor die als voorzitter van de Staten-Generaal een belangrijke schakel zou vormen met het bestuur.11 De schets bevatte overigens een zwak centralisme met relatief veel autonomie voor de provincies.12 In de toelichting op zijn derde schets gaf Van Hogendorp in zijn toelichting het volgende aan:
‘Het oogmerk is de gebreken der oude Constitutie te verbeteren, zonder onnoodige veranderingen, en met meest mogelijk behoud van oude gewoonten, regten, ampten, en zelfs namen, als waaraan de natie zoo zeer gehegt is.
Op deze wijze kan eene Constitutie aangenaam zijn aan de natie, hetwelk de beste grondslag is van hare duurzaamheid.‘13
Het gaat hier om de laatste zin van dit citaat. De Grondwet moest volgens Van Hogendorp voor langere tijd mee; duurzaamheid was een belangrijk uitgangspunt. Dat zou kunnen verklaren waarom hij koos voor een verzwaarde herzieningsprocedure. Toch was Van Hogendorp zich maar al te goed bewust dat de tijden zouden veranderen, gelet op de eerste zin van het eerste artikel van de schets voor een herzieningsprocedure:
“[..] Alzo dat andere Tijden en Omstandigheden nieuwe Instellingen kunnen vereischen [..].”14
Van Hogendorp realiseerde zich dat deze duurzaamheid niet moest betekenen dat later geen wijzigingen meer mogelijk zouden zijn. Hierin was hij voor Nederland vernieuwend. Van Hogendorp pleitte voor een Grondwet die kon worden gewijzigd in verband met nieuwe omstandigheden met het oog op flexibiliteit richting de toekomst.
De historische context geeft daarbij inzichten over de verdere motieven achter een herzieningsprocedure: de twee decennia voorafgaand aan 1814 hadden verschillende grondwetten elkaar in hoog tempo verdrongen, want deze kenden geen aparte herzieningsprocedure. Er was steeds sprake van een nieuwe Grondwet. Naast duurzaamheid was ook enige mate van flexibiliteit geboden. Daarmee zijn al twee uitgangspunten achter het instellen van de herzieningsprocedure gegeven.
Een interessante vraag is in hoeverre de ontwikkelingen in de Verenigde Staten Van Hogendorp hebben geïnspireerd bij de vervaardiging van zijn schetsen. Van Hogendorp verbleef als jongeman een half jaar in de Verenigde Staten (omstreeks 1783-1784). Het is onmiskenbaar dat Van Hogendorp de Grondwet van de Verenigde Staten van 1887 en de aanloop daarnaar gekend moet hebben. Slijkerman betoogt zelfs dat van Hogendorp schatplichtig was aan het voorbeeld van de Grondwet van de Verenigde Staten. 15 Bovendien had Van Hogendorp niet veel andere voorbeelden. In dit licht is het ten minste opvallend dat de Amerikaanse wijzigingsprocedure zoals geregeld in artikel V van de Amerikaanse Grondwet enkele gelijkenissen vertoont met de schetsen van Van Hogendorp.16
De eerste gelijkenis is dat zowel de schets als de Amerikaanse herzieningsprocedure meer lezingen bevatten. Deze lezingen zijn wel anders opgebouwd. In het Amerikaanse stelsel kan het congres een voorstel doen, wanneer het met een gekwalificeerde meerderheid een grondwetsherziening noodzakelijk acht. Ook de procedure in de schets bevat een eerste lezing. De eerste zin van het eerste artikel van de (derde) schets van Van Hogendorp was als volgt geredigeerd:
‘Alzo andere tijden en omstandigheden veranderingen en nieuwe instellingen kunnen vereischen, zo zal te allen tijde door eene wet mogen verklaard worden, dat zoodanig geval voorhanden is.’
Een verdere overeenkomst is dat in Nederland de afgevaardigden van provincies hun rol kregen bij een grondwetsherziening in de plannen van de schets. De schets gaf namelijk aan dat de ‘Staten der Provintien’ een gelijk aantal afgevaardigden zouden toevoegen aan de Staten-Generaal. Dat laatste punt is overigens anders dan in de Verenigde Staten. Artikel V van de Amerikaanse Grondwet kent de constructie dat driekwart van de wetgevers van de verschillende deelstaten moeten instemmen met een voorgesteld amendement. Zij mogen dat amendement niet wijzigen. Er zijn ook duidelijke verschillen tussen de schetsen van Van Hogendorp en het Amerikaanse stelsel. Weliswaar dienen alle lezingen in de Verenigde Staten plaats te vinden met een gekwalificeerde meerderheid. In de schets is er nog helemaal geen sprake van een gekwalificeerde meerderheid. In de eindtekst van de Grondwet van 1814 is dat overigens wel het geval.
In zijn schets stelde Van Hogendorp zich de volgende procedure voor: er diende eerst een zogenaamde wet te komen die moest verklaren dat een wijziging van de Grondwet nodig is. De Staten-Generaal én de Koning stelden deze zoals bij elke wet vast. De procedure eiste dat deze wet vervolgens naar de ‘Staaten Provintiaal’ werd gestuurd, waarna deze provincies een gelijk aantal buitengewone leden toevoegden aan de Staten-Generaal. Hierbij zij opgemerkt dat de Staten-Generaal destijds bestond uit één kamer. De dubbele Staten-Generaal besliste in de plannen van Van Hogendorp met een gewone meerderheid. De tekst van de (derde) schets luidde als volgt:
“Van Bijvoegselen en Veranderingen
Art. 65 Alzo andere tijden en omstandigheden veranderingen en nieuwe instellingen kunnen vereischen, zoo zal te allen tijde door eene wet mogen verklaard worden, dat zoodanig geval voorhanden is. De zaak zelve zal duidelijk moeten aangewezen en uitgedrukt worden, en de wet op de gewone wijze toegezonden aan de Staten der Provintien.
Art. 66. Vervolgens voegen de Staten der Provintien, binnen den tijd, door de wet telkens bepaald, aan hunne afgevaardigden in de Staten Generaal een gelijk getal nieuwe afgevaardigden toe, op dezelfden voet als de anderen benoemd zijn.
Art. 67. De dubbele Vergadering van de Staten Generaal doet eindelijk de zaak met den Souverein Vorst af, op dezelfde wijze als de gewone wetten gemaakt worden.
Art. 68. De veranderde of nieuwe Grondwet wordt op dezelfde wijze afgekondigd, als de gewone wetten, en plegtiglijk gevoegd bij de algmeene Grondwet.”17
Enkele aspecten vallen op. Ten eerste, de schets bevatte zoals eerder al bleek de kiem voor het systeem van twee lezingen bij een grondwetsherziening. Tot op de dag van vandaag bestaat dit systeem. Ten tweede is voorzien in een provinciale invloed wat, gezien de rol die Van Hogendorp voor de provincies zag, zeer begrijpelijk is. Ten derde eiste de tweede lezing in de schets geen gekwalificeerde meerderheid.18 Ten vierde moest ook de vorst met de grondwetsherziening instemmen, wat nog altijd het geval is.
De schets lag ten grondslag aan de beraadslagingen in een staatscommissie onder voorzitterschap van Van Hogendorp. Deze commissie bestond uit de leden: Repelaer, Van Aylva, Van Hogendorp (voorzitter), Van Maanen, Elout en Röell. Van Maanen werd doorgaans bijgestaan door de jonge commissieleden Elout en Roëll. Deze commissieleden beoogden in de onderhandelingen over de Grondwet zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij een systeem met een sterk centralistisch bewind zoals tijdens de Franse overheersing. Met name Elout had veel invloed op de vormgeving van de definitieve tekst. Andere leden stonden meestal aan de zijde van de voorzitter.19 Het resultaat van de onderhandelingen was kortgezegd dat het centraal gezag werd versterkt ten koste van de provincies.20 Omdat op een aantal punten geen duidelijke afbakening was van wat bij wet en wat bij koninklijk besluit moest worden geregeld, kon de Soeverein Vorst21 op basis van de eindtekst veel bevoegdheden naar zich toetrekken.22 Ook het ambt van de raadpensionaris (als hoge bestuurder en voorzitter van de Staten-Generaal) kwam niet in het eindontwerp terecht.23 Kortom, de Soeverein Vorst verwierf een sterke positie.
Op het gebied van de grondwetsherzieningsprocedure leidden de onderhandelingen in de commissie tot één belangrijke wijziging. De onderhandelingen met betrekking tot het negende hoofdstuk inzake de herzieningsprocedure zijn daarom overzichtelijk. Deze wijziging betrof de eis van een eenvoudige meerderheid in de tweede lezing. Elout vroeg zich af of de wil van de natie wel juist werd uitgedrukt bij een eenvoudige meerderheid (zoals was voorgesteld in de schets).24 Dit leidde tot discussie binnen de commissie en verschillende ideeën deden de ronde. Zo wilde het lid Roëll dat de Staten-Provinciaal naast de dubbele vergadering in tweede lezing zelf geraadpleegd moesten worden.25 Het lid Repelaer gaf zelfs aan dat de vermoedelijke troonopvolger een stem moest hebben.26 Uiteindelijk bereikte de commissie een overeenstemming op aangeven van Van Hogendorp: de dubbele vergadering zou in tweede lezing niet met een eenvoudige meerderheid beslissen, maar met een gekwalificeerde meerderheid. De commissie koos voor een gekwalificeerde meerderheid van twee derden. Uiteindelijk kwam de definitieve tekst van de Grondwet van 1814 er als volgt uit te zien:
‘Art. 142 Ingevalle, in het vervolg, eenige verandering of bijvoeging in de grondwet noodig zoude mogen zijn, zal deze noodzakelijkheid bij eene wet moeten verklaard en de verandering of bijvoeging zelve duidelijk aangewezen en uitgedrukt worden.
Art. 143 Deze wet, door den Souvereinen Vorst en Staten Generaal vastgesteld zijnde, wordt vervolgens, op de gewone wijze, aan de Staten der Provinciën of Landschappen gezonden, welke, binnen den tijd daartoe telkens bij zoodanige wet bepaald, aan de gewone leden der Staten Generaal een gelijk getal buitengewone toevoegen, die op dezelfde wijze als de gewone benoemd worden.
Art. 144 De Souvereine Vorst en de alzoo in dubbelden getale zamengestelde vergadering van de Staten Generaal beslissen voorts in dezen op dezelfde wijze, als omtrent het vaststellen van gewone wetten hier voren is bepaald, met uitzondering alleen, dat er eene meerderheid van stemmen moet zijn, uitmakende ten minste twee derde der presente leden.’
Wat waren de motieven achter het opnemen van de eis van gekwalificeerde meerderheid? Uit de verslagen van de commissie blijkt dat de gekwalificeerde meerderheid het volgende doel diende: dat de wil van de natie duidelijk zou worden uitgedrukt. Dit punt werd ingebracht door het commissielid Elout.27 Hierbij is opmerkelijk dat Elout behoorde tot het conservatieve kamp van de commissie dat stond voor een centralistisch systeem met veel bevoegdheden voor de vorst.28 Ik merk hierbij het volgende op: vanuit een conservatief perspectief betekent een eis van een gekwalificeerde meerderheid een extra barrière ter wijziging van de door de Soeverein Vorst verworven machtspositie. Kortom, het zou door de eis van een gekwalificeerde meerderheid lastiger zijn om aan de macht van de Soeverein Vorst te tornen. Die positie van de Soeverein Vorst was ook in de grondwetsherzieningsprocedure sterk, aangezien ook hij moest instemmen met een grondwetsherziening en, zoals later zou blijken, het alleenrecht had om wetsvoorstellen te initiëren in het kader van de grondwetsherzieningsprocedure. Ik heb echter geen concrete bronnen kunnen vinden waaruit blijkt dat de versteviging van de positie van de vorst hierbij een doorslaggevend motief is geweest. Bovendien werd ook de positie van de Staten-Generaal steviger verankerd door de eis van gekwalificeerde meerderheid.
De eis van een gekwalificeerde meerderheid leidde onmiskenbaar tot een stevige verankering van de bevoegdheden van de Soeverein Vorst (en ook de bevoegdheden van de Staten-Generaal), en dat was het resultaat van een aanpassing van de schets door de commissie met het oog op een betere uitdrukking van de wil van de natie. Diezelfde wil van de natie speelde bij de totstandkoming van de Grondwet overigens nauwelijks een rol: de Grondwet werd uiteindelijk op 29 maart 1814 in een daad van originaire rechtsvorming met grote meerderheid aangenomen in de Nieuwe Kerk te Amsterdam door een stemming onder 474 notabelen (448 voor en 26 tegen). Er was geen gelegenheid tot debat.29