Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.4.2.1
8.4.2.1 Inleiding
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655897:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de event study in de financieel-economische literatuur onder meer Corrado 2011; Kothari & Warner 2007; Bhagat & Romano 2002a en 2002b; Binder 1998; MacKinlay 1997; Campbell, Lo & MacKinlay 1997, p. 149-180; Gilson & Black 1993, p. 185-230; Herderson 1990; Brown & Warner 1985; Bowman 1983; Schwert 1981. Zie ook het AFM-rapport 2007, p. 3-6.
Zie over de event study in de juridische literatuur onder meer Fisch, Gelbach & Klick 2018; Baker 2016; Fox jr., Fox & Gilson 2016, p. 346-392 ; Fox jr., Fox & Gilson 2013; Bruegger & Dunbar 2009, p. 15-25; Gelbach, Helland & Klick 2009, p. 3-7; Ferrell & Saha 2007, p. 166-170; Allen 2007, p. 957-959; Gold, Korman & Nabi 2017, p. 8-12; Thorsen, Kaplan & Hakala 2006, p. 109-112; Marais & Schipper 2005; Finnerty & Pushner 2003, p. 221-224; Mitchell & Netter 1994, p. 556-572; Macey e.a. 1991, p. 1028-1042; Koslow 1991, p. 819-826. Zie hierover in de Nederlandse juridische literatuur Nelemans 2007, p. 26-27; De Jong 2010, p. 239-244; De Jong 2015, p. 322-323.
Brav en Heaton zijn echter zeer kritisch over het gebruik van een event study voor het beoordelen van het koerseffect van bepaalde informatie op de beurskoers van een bedrijf, en trekken de geschiktheid ervan zelfs in twijfel, zie Brav & Heaton 2015, p. 583-614. Volgens hen is de event study alleen maar een geschikt instrument om het koerseffect van een bepaald event te meten, wanneer zij wordt uitgevoerd in de vorm van een zogenoemde ‘multi-firm’ event study. Bij een dergelijke studie wordt aan de hand van een cross-sectionele data-analyse gekeken wat de invloed is van een bepaalde gebeurtenis, bijvoorbeeld (de aankondiging van) de invoering van een nieuwe wettelijke regeling in een bepaalde sector, op de beurskoers van de bedrijven uit de desbetreffende sector. Zie voor een vervolg van de kritiek van Brav & Heaton 2015 de studie Dove, Heath & Heaton 2019. En zie over het hier gesignaleerde probleem ook de uitspraken Strougo v. Barclays PLC, 312 F.R.D. 307, 321-322 (S.D.N.Y. 2016) (deze uitspraak is bevestigd door de Second Circuit, zie 875 F.3d 79 (2d Cir. 2017)) en Carpenters Pension Trust Fund of St. Louis v. Barclays PLC, 310 F.R.D. 69, 84-86 (S.D.N.Y. 2015).
Zie ook Tabak 2007a, p. 2-5.
Ik wijs in dit verband op de nogal strenge benadering (streng vanuit het oogpunt van de benadeelde belegger) van de Third Circuit ten aanzien het materiality-vereiste. Zie hierover § 3.5.3.1.
Dit heeft de Supreme Court nogmaals bevestigd in zijn uitspraak in de zaak Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 277-279 (2014).
Zie in dit verband ook § 9.4.2.3 sub b.
Het vaststellen van de koersinvloed van de misleidende informatie gebeurt in het Amerikaanse recht zoals ik al opmerkte meestal met behulp van een event study. Een event study is een statistische techniek waarmee kan worden bepaald wat het effect is van een bepaalde gebeurtenis, in dit geval het beschikbaar komen van nieuwe informatie, op een bepaalde afhankelijke variabele, in dit geval de beurskoers.1 Een event study is daarmee dus ook een geschikt instrument om te bepalen wat het effect is van misleidende informatie op de beurskoers.2,3 In verschillende uitspraken is geoordeeld dat (het uitvoeren van) een event study zelfs noodzakelijk is voor het aantonen van (het bestaan en de omvang van de) koersinflatie.4
Doorgaans staat de discussie over de koersinvloed van de misleidende informatie in de sleutel van loss causation. Het zal dus meestal zo zijn dat de beleggers in het kader van de stelplicht en/of de bewijslast voor loss causation op de proppen komen met een event study. Een event study kan echter ook naar voren worden gebracht als ondersteunend bewijs in het kader van de stelplicht en/of de bewijslast voor materiality.5 De vaststelling dat de litigieuze informatie de beurskoers heeft beïnvloed, is immers een sterke aanwijzing voor het feit dat de informatie inderdaad material was.6 Dat de eisende beleggers op de proppen komen met een event study in het kader van het bewijs van reliance/transaction causation, ligt echter minder voor de hand. Op grond van de fraud-on-the-market-theorie wordt de koersinvloed van de misleidende informatie immers verondersteld.7 Wel is het uiteraard goed mogelijk dat de gedaagde zich in het kader van reliance/ transaction causation beroept op de uitkomst van een event study om daarmee aan te tonen dat de misleidende informatie niet van invloed was op de beurskoers, en om aldus het fraud-on-the-market-vermoeden te weerleggen.
In het licht van § 8.3 over het bewijs van marktefficiëntie, wijs ik er nog op dat wanneer het processuele debat over de koersinvloed van de misleidende informatie in de sleutel staat van loss causation, de vraag of de markt waarop de litigieuze effecten werden verhandeld efficiënt was, in principe niet meer ter discussie zal staan. De discussie over de marktefficiëntie zal dan immers al zijn beslecht in het kader van het al dan niet kunnen inroepen van het fraud-on-the-market-vermoeden. Bij het processuele debat over loss causation, zal de (mate van) marktefficiëntie eventueel alleen nog een rol kunnen spelen in het kader van de bewijswaardering van de event study.8
Het vervolg van deze paragraaf is als volgt opgebouwd. In § 8.4.2.2 leg ik eerst uit waarom bij het meten van de koersinflatie met behulp van een event study meestal wordt aangeknoopt bij het tijdstip waarop de misleiding bekend werd (en niet bij het tijdstip waarop de misleidende mededeling werd gedaan c.q. de litigieuze informatie werd achtergehouden). Vervolgens behandel ik in § 8.4.2.3 de methodologie van de event study. Daarna bespreek ik in § 8.4.2.4 een aantal complicaties waarmee men te maken heeft wanneer een event study wordt gebruikt om het koerseffect van de misleidende informatie te bepalen. Tot slot ga ik in § 8.4.2.5 in op het scenario waarin de misleidende informatie de koers wél heeft beïnvloed, maar waarin – niettegenstaande deze koersinvloed – op het moment van de corrigerende mededeling tóch geen (significante) koersreactie wordt geobserveerd.