Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/9.8.3
9.8.3 Suggesties voor nader onderzoek
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268377:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Betrokkene kan hiervan bovendien reputationele schade ondervinden. Tuchtrechtuitspraken worden geanonimiseerd gepubliceerd, maar het is haast onmogelijk om iedere herleidbaarheid naar betrokkene uit te sluiten; Nederland kent uiteindelijk niet meer dan 50 tot 60 banken.
Toezichthouders kunnen nadere afspraken maken met betrokkene of voorwaarden stellen waaronder personen gehandhaafd kunnen blijven in de bestaande functie en niet hoeven worden “heengezonden.” Dergelijke afspraken zijn vertrouwelijk. Blijkt heenzending naar het oordeel van de toezichthouders toch onvermijdelijk, dan treden beleidsbepalers in de praktijk nogal eens terug voordat een formele (te publiceren) maatregel wordt opgelegd. Zie hierover ook hoofdstuk 7. Het optreden van de toezichthouders is dus vaak voor het publiek niet waarneembaar.
Zie voor de tekst van de Australische eed: https://thebfo.org/the-oath.
Zie BFO,“Ethics in practice for banking and finance,” Series 1, 2016, https://thebfo.org/the-oath/ethics-in-practice-a-simple-and-practical-guide.
Zie hiervoor de publicaties op de websites van de toezichthouders (www.afm.nl en www.dnb.nl). De AFM hanteert zelfs als beleid dat altijd wordt overwogen om naast de instelling een of meer feitelijk leidinggevers te beboeten, zie AFM, “Boetebeleid feitelijk leidinggevers,” juli 2017.
Art. 2d, eerste lid, Wwft verplicht om een van de beleidsbepalers aan te wijzen en te belasten met de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de Wwft. Het betreft een implementatie van de Vierde Anti-witwasrichtlijn.
Zie Policy Statement 15/18 van de Prudential Regulatory Authority, PS15/18, 1.6. De basis voor dit systeem werd gelegd in het rapport “Changing banking for good”, zie hoofdstuk 1, par. 1.2.
Zie over de Australische eed ook Soeharno, die de positieve insteek van deze eed (niet de schandpaal, maar de schouderklop) waardeert en als effectiever beschouwt voor het bewerkstelligen van de gewenste cultuurverandering dan het Nederlandse tuchtrecht. Zie J.E. Soeharno, ‘Van tuchtrecht bankiers naar tuchtrecht banken. Weg van het randdomein van zwarte schapen en lone wolves,’ in: F.M.A. ’t Hart & A.J.C.C.M. Loonen (red.), Tuchtrecht in de financiele sector (Financieel Juridische Reeds 16), Zutphen: Paris 2020, p. 31-49.
Opgemerkt zij dat in het Nederlandse tuchtrecht niet een schending van de bankierseed maar van de Gedragsregels centraal staat, zie hoofdstuk 8, par. 8.2.5.
Zie ook hoofdstuk 9, par. 9.4.3.
Vergelijk ook de Aanwijzing voor de regelgeving, Aanwijzing 2.5 (Zelfregulering): “Bij het bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot overheidsinterventie om een doel te bereiken wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de maatschappij,” Stcrt. 2017/ 69426.
Onderzoek naar de meerwaarde van het tuchtrecht ten opzichte van toetsingen
Uit hoofdstuk 8 kwam naar voren dat tuchtrecht en toezicht in beginsel naast elkaar kunnen bestaan, maar dat het risico bestaat op (onnodige) dubbele procedures en onevenredige sanctionering. Dit leidde tot verschillende aanbevelingen om ongewenste samenloop te voorkomen. Dubbele procedures kunnen hiermee echter op zichzelf niet worden voorkomen. De tuchtrechter kan immers altijd besluiten om (alsnog) op te treden. Vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op de vraag of een tuchtprocedure en publicatie van de tuchtrechtuitspraak, ná optreden van de toezichthouder, niet wat teveel is van het goede. Betrokkene kan het boek, ook wanneer de kwestie naar tevredenheid van de toezichthouder is afgehandeld, immers niet sluiten.1 Blijkt de meerwaarde van het tuchtrecht ten opzichte van personentoetsingen beperkt, dan zou kunnen worden overwogen om de groep te toetsen personen van het bancair tuchtrecht uit te zonderen.
Zowel de bankierseed als het bancair tuchtrecht zijn autonome, nationale bepalingen en zijn tot stand gebracht zonder dat Europese wetgeving hiertoe verplicht. Het staat de Nederlandse wetgever dan ook vrij de wettelijke regelingen aan te passen en waar mogelijk te verbeteren.
Een meerwaarde van het bancair tuchtrecht kan zijn gelegen in een verhoogde bewustheid van de eigen verantwoordelijkheden en gedrag. Door te verklaren zich aan tuchtrecht te onderwerpen wordt het naleven van de (integriteits-)regelingen niet alleen een juridische verplichting, maar ook een persoonlijke belofte en inzet. De vraag is echter of dit “preventieve” effect niet reeds met de bankierseed kan worden bereikt. Om dit na te gaan zou de bankensector kunnen worden vergeleken met, bijvoorbeeld, de verzekeringssector waar wel de bankierseed maar geen tuchtrecht van toepassing is.
Meerwaarde kan voorts gelegen zijn in de publicatie van de tuchtrechtuitspraak. Het ingrijpen door de toezichthouder zal voor het publiek meestal onzichtbaar zijn.2 Met de publicatie van de (geanonimiseerde) tuchtrechtuitspraak kan publiek worden gemaakt dat de sector optreedt tegen misstanden, en dit kan het vertrouwen in de sector helpen bevorderen. Dit kan ook gelden voor gedragingen van geringe ernst, die voor de toezichthouder van onvoldoende gewicht worden geacht om formeel in te grijpen. Daarnaast kan het feit dat de top van de bank zich, net als het overige bankpersoneel, aan het tuchtrecht onderwerpt een belangrijke voorbeeldfunctie vervullen.
Deze aspecten zouden moeten worden afgewogen tegen het belang van betrokken personen om gevrijwaard te worden van dubbele procedures.
Australië
De Nederlandse situatie zou voorts kunnen worden vergeleken met Australië, (vooralsnog) het enige andere land ter wereld waar een bankierseed bestaat.3 Anders dan in Nederland is het afleggen van de Australische “Banking and Finance Oath” niet een verplichting, maar een vrijwillig en persoonlijk commitment en is bewust afgezien van een systeem van handhaving. De eed is geworteld in de overtuiging dat de bancaire en financiële sector inherent “goed” is, en de eed is bedoeld om dit ethisch besef te bevestigen.4 De eed wil daarmee (bewust) niet in het voetspoor treden van de trend naar een toegenomen individuele accountability, waarbij niet zozeer organisaties maar individuen persoonlijk (strafrechtelijk, civielrechtelijk of bestuursrechtelijk) voor misstanden ter verantwoording worden geroepen. Ook in Nederland is deze trend onmiskenbaar aanwezig. Een voorbeeld is de genoemde toename van “persoonlijke boetes”, die door toezichthouders worden opgelegd aan personen die feitelijk leiding hebben gegeven aan overtredingen die door de instelling zijn gepleegd.5 Ook neemt de maatschappelijke druk toe om individuele beleidsbepalers strafrechtelijk te veroordelen voor door de bank gepleegde schendingen van toezichtwetgeving. De uit de Europese regelgeving afkomstige “Wwft-bestuurder” past eveneens in deze lijn.6 Ook in het Verenigd Koninkrijk is deze trend goed zichtbaar. Alle te toetsen personen krijgen een eigen lijst met verantwoordelijkheden toebedeeld (statement of responsibilities) om hen te stimuleren om deze verantwoordelijkheden waar te maken én om het de onderneming en de toezichthouders makkelijker te maken om de verantwoordelijke personen ter verantwoording te roepen.7 De Australische eed gaat niet uit van een “afrekencultuur” maar van het versterken van de persoonlijke accountability, het afleggen van verantwoording jegens zichzelf. Kernwoorden zijn ethiek, integriteit en vertrouwen. Voor tuchtrecht, met de bijbehorende tuchtrechtelijke sancties, is dan ook niet gekozen.8
Nader onderzoek zou zich kunnen richten op de effectiviteit van de Australische eed, die “geen tanden” heeft, versus systemen die meer de nadruk leggen op accountability en individuele sanctionering, zoals de Nederlandse (en Belgische) combinatie van eed en tuchtrecht.9
België
Nader onderzoek zou ook kunnen worden gedaan naar de situatie in België, waar gevorderde plannen bestaan tot het invoeren van een bankierseed en bancair tuchtrecht. Interessante verschillen tussen de Nederlandse en Belgische wetgeving zijn gelegen in het toepassingsbereik, de wijze van informatiedeling tussen tuchtrechter en toezichthouder en het verschil tussen de wettelijke, van overheidswege georganiseerde vorm van tuchtrecht in België en het Nederlandse hybride systeem. Mogelijk kunnen de ervaringen in het Belgische stelsel nuttige gezichtspunten opleveren voor een verdere ontwikkeling van het Nederlandse bancair tuchtrecht. Of het Belgische wetsvoorstel ook daadwerkelijk wet zal worden is op het moment van afronding van dit proefschrift (1 juni 2020) overigens nog niet zeker.
Verenigd Koninkrijk
Tot slot zou het Nederlandse bancair tuchtrecht kunnen worden vergeleken met de regelgeving in het Verenigd Koninkrijk, zoals besproken in paragraaf 9.4.3.10 In het VK dienen vrijwel alle bankmedewerkers zich te houden aan de zogenoemde Conduct Rules. Deze regels bepalen dat de bankmedewerker 1) integer en 2) prudent (to act with due skill, care and diligence) dient te handelen, en 3) zich open en coöperatief dient op te stellen jegens de (financiële) toezichthouders.11 De regels zijn hiermee wat ruimer geformuleerd, maar vergelijkbaar met de in het Nederlandse tuchtrecht gehanteerde Gedragsregels. De toezichthouders in het VK, de PRA en de FCA, zien toe op de naleving van de Conduct Rules. Voordeel hiervan is dat hierdoor, anders dan in het Nederlandse of Belgische stelsel, samenloop-situaties worden uitgesloten. Daar staat echter tegenover dat de voordelen van het Nederlandse systeem, waarbij de banken zelf de verantwoordelijkheid dragen voor een adequaat functionerend tuchtrechtelijk systeem, ontbreken.12
Vervolgonderzoek zou de voor- en nadelen van de in Nederland, Australië, België en het VK ontwikkelde systemen nader in kaart kunnen brengen en waardevolle suggesties kunnen opleveren voor verbetering van het huidige, Nederlandse tuchtrecht. Daarbij heeft het sterk de voorkeur om tot een regeling te komen die niet alleen voor Nederland aanvaardbaar is, maar voor de gehele Europese Unie.