Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/7.3.3:7.3.3 Andere oplossingen voor het in aanmerking nemen van de waardesprong
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/7.3.3
7.3.3 Andere oplossingen voor het in aanmerking nemen van de waardesprong
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS415708:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens hoofdstuk 9 met betrekking tot de redelijke tegemoetkoming.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335, neergelegde regel, inhoudende dat het uit de wijziging van een onjuist waarderingsstelsel voortvloeiende resultaat in aanmerking wordt genomen in het jaar van de stelselwijziging, werkt in sommige gevallen onredelijk uit, met name indien een omvangrijke positieve waardesprong de in het jaar van stelselwijziging progressief te belasten winst sterk vergroot. De in HR 23 februari 1955, BNB 1955/158, gegeven KNOR-oplossing is in het leven geroepen om de onredelijke gevolgen weg te nemen die de belastingplichtige als gevolg van de wijziging van het onjuiste waarderingsstelsel zou ondervinden1. Een andere oplossing om deze gevolgen weg te nemen kan worden gevonden in het ‘uitsmeren’ van de waardesprong over (een gedeelte van) de jaren waarin het waarderingsstelsel werd toegepast.
Hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 19 augustus 1966, BNB 1966/284, met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting 1963, geoordeeld dat de door belanghebbende gevolgde winstberekening, waarbij geen activering van onderhanden werk plaatsvond, in strijd is met goed koopmansgebruik. Partijen hadden ter zitting verklaard dat, indien activering van het onderhanden werk zou zijn geboden, van de post ‘onderhanden werk’, ten bedrage van f 2500, een bedrag van f 500 betrekking heeft op het boekjaar 1962/1963 en aan elk van de boekjaren 1957/1958 tot en met 1961/1962 een bedrag van f 400 kan worden toegerekend. Over laatstbedoelde jaren zou alsnog inkomstenbelasting worden betaald bij wijze van navordering of gewetensgeld. Op deze wijze wordt voorkomen dat een waardesprong van f 2500 in één jaar tot uitdrukking wordt gebracht.
Een soortgelijke beslissing is te vinden in HR 7 december 1966, BNB 1967/37. In deze zaak, ook over de aanslag inkomstenbelasting 1963, hadden inspecteur en hof ingestemd met een oplossing, waarbij van de ten gevolge van de stelselwijziging tot uitdrukking komende winst in 1963 slechts f 3000 wordt belast en in ieder van de voorafgaande jaren 1959 tot en met 1962 eveneens f 3000. Belanghebbende had aangeboden om gewetensgeld te betalen indien en zover navordering over deze jaren niet meer mogelijk is.
Het uitsmeren van de (positieve) waardesprong over een aantal jaren kan in beginsel evenzeer plaatsvinden ten aanzien van toekomstige jaren, zodat de onjuiste waardering in een aantal toekomstige jaren wordt afgebouwd.