Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.3.3.1:6.3.3.1 De status van voorlichting als ‘vertaling’
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.3.3.1
6.3.3.1 De status van voorlichting als ‘vertaling’
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661556:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Jansen en Steehouder 1982, p. 296; Steehouder en Jansen 1986, p. 131.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de communicatietheorie volgt dat voorlichting van de Belastingdienst in communicatief opzicht functioneert als een autonome tekst, in een nieuwe communicatieve context met een zelfstandige status (paragraaf 5.4.3). Sterker nog, goede voorlichtingsteksten zullen veelal juist in hoge mate verschillen van de wettekst, want voorlichting heeft andere tekstdoelen.1 Bovendien moet voorlichting in communicatief opzicht voldoen aan de eis van autonomie (paragraaf 5.3.2.1): de tekst moet voor de gebruiker zelfstandig leesbaar zijn en adequaat om het doel de bereiken, dus zonder andere teksten te hoeven raadplegen (zoals de wet zelf). Vanuit communicatief oogpunt functioneert de voorlichtingstekst als vertaling dus zelf (weer) als brontekst. Deze invalshoek kan verklaren waarom burgers een voorlichtingstekst zullen beschouwen als ‘de’ brontekst. Die opvatting is communicatief bezien logisch.
In juridisch opzicht is de status van voorlichting gecompliceerder. Het juridisch perspectief is op dit punt ambivalent. Enerzijds wordt in theorie onderkend dat voorlichting – om voor burgers begrijpelijk etc. te zijn – een ander soort tekst moet zijn dan de onderliggende wettekst (paragraaf 2.5.2) en in dat opzicht dus een nieuwe tekst moet opleveren. Dan is inherent sprake van een nieuwe brontekst. Anderzijds wordt voorlichting beschouwd als een inhoudelijke afgeleide van de onderliggende wet- en regelgeving. Sterker nog, slechts een afgeleide, want voorlichting wordt wel beschouwd als ‘slechts’ voorlichting (paragraaf 4.3.1.4). Achter ‘slechts’ gaat een wereld van veronderstellingen schuil, maar de belangrijkste hier is zijn ‘minderwaardigheid’ in de zin van het gebrek aan juridische status. Juridisch gezien is voorlichting als brontekst minder ‘waard’ dan de wet.
Kortom, de juridische houding ten aanzien van (de status van) voorlichting is dubbel. Enerzijds moet voorlichting naar zijn aard een andere tekst zijn dan de wettekst, anderzijds worden daar in beginsel geen juridische consequenties aan verbonden in die zin dat het niet de juridische status krijgt van een zelfstandige tekst.