Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/10.4.2:10.4.2 De veroordeelde partij
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/10.4.2
10.4.2 De veroordeelde partij
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692155:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 11.2 waarin ik het geval van de onmogelijkheid van onzelfstandige nakoming bespreek.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
637. Als het goed is volgt uit het dictum eenduidig wie iets moet doen of nalaten. Omdat een verbod of bevel gevorderd moet worden, kan dit in principe slechts de gedaagde partij zijn, of een of meer van de gedaagde partijen. Dat laat onverlet dat de positie van derden door het bevel of verbod geraakt kan worden. Dat is in het bijzonder het geval indien de veroordeelde de medewerking van derden voor de uitvoering van het verbod of bevel nodig heeft. Dat staat aan het opleggen van een bevel of een verbod aan de gedaagde niet zonder meer in de weg.1
638. Voor de effectiviteit van de remedie roept de vraag wie er kan worden veroordeeld geen bijzondere problemen in het leven. Dat een rechterlijk bevel en verbod slechts in een procedure kan worden verkregen is ook geen onoverkomelijk bezwaar, maar slechts het gevolg van het verbod op eigenrichting.