De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.8:5.5.8 De kring der benadeelden
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.8
5.5.8 De kring der benadeelden
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS395999:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook ten aanzien van de kring der benadeelden kunnen wij in beginsel teruggrijpen op de kring van personen die op grond van de Richtlijn door de polis moeten worden beschermd. Hier moet echter wel worden gewezen op uitzonderingsmogelijkheden.
In de eerste plaats kan de nationale wetgever van vergoeding door het waarborgfonds uitsluiten degenen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer het fonds kan bewijzen dat zij wisten dat het niet verzekerd was. Zie art. 10 lid 2, tweede alinea. De bewijslast van die wetenschap rust op het waarborgfonds en het zal niet altijd eenvoudig zijn die wetenschap aan te tonen.
De vraag is of onder het begrip 'niet verzekerd' ook moet worden verstaan het geval waarin de verzekeraar zich tegenover de benadeelde op een polisuitsluiting mag beroepen, zoals bij voertuigen die zijn gestolen of door geweldpleging1 verkregen. In dat geval kan de verzekeraar op grond van art. 13 lid 1, tweede alinea een polisclausule die dekking ontzegt als het voertuig werd gebruikt door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn gemachtigd tegenwerpen aan personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig als de verzekeraar bewijst dat zij wisten dat het gestolen was. Het tweede lid bepaalt dat de nationale wetgever het waarborgfonds in plaats van de verzekeraar kan laten optreden bij schade veroorzaakt door gestolen of door geweldpleging verkregen voertuigen. De vraag is of ook het waarborgfonds dan schade aan inzittenden anders dan de bestuurder, wiens schade op grond van art. 12 lid 1 van dekking onder de polis kan worden uitgesloten - niet behoeft te vergoeden.
De Nederlandse wetgever gaat daarvan kennelijk uit. Hij heeft bij de implementatie van de 2e Richtlijn de mogelijkheid om inzittenden van niet-verzekerde en gestolen auto's toegang tot het Waarborgfonds Motorverkeer te ontzeggen niet benut, met, blijkens de toelichting bij het betreffende wetsvoorstel, als reden dat:
"het aantal gevallen waarin op de uitsluiting een beroep zou kunnen worden gedaan, (...) blijkens dossieronderzoek van het Waarborgfonds zeer gering (zal) zijn. Een preventieve werking tegen het onverzekerd rijden of tegen diefstal zal de bepaling niet hebben. Voorts moet worden bedacht dat, voor zover het om letselschade gaat, niet de betrokkene zelf, maar als regel diens ziektekosten-verzekeraar bij een dergelijke uitsluiting deze schade uiteindelijk zal moeten dragen. Ten slotte zal onder omstandigheden de inzittende die een diefstal mede heeft gepleegd, als bezitter van het motorrijtuig in de zin van art. 4, eerste lid, van de wet kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat, gelet op art. 26, tweede lid, het Waarborgfonds jegens deze persoon niet aansprakelijk is."2
Deze interpretatie van de Richtlijn lijkt juist: het is niet logisch dat het waarborgfonds de schade van de besturende dief/bezitter niet en van andere bezitters te kwader trouw wel zou moeten vergoeden.
De Wam staat een uitsluiting van inzittenden noch in het geval van niet-verzekerde, noch in het geval van gestolen voertuigen van de toegang tot het Waarborgfonds Motorverkeer toe, tenzij - in dit laatste geval - de inzittende tevens als bezitter van het voertuig moet worden aangemerkt.