De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.1:5.5.1 Inleiding
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.1
5.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS395984:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Naar verluidt zou de term 'fonds' in enige talen, bijvoorbeeld het Tsjechisch, tot misverstanden hebben kunnen leiden. Het woord 'fonds' zou in die talen meer duiden op een financieel fonds, een fonds zoals dat van art. 8:1219 BW, dan op een rechtspersoon. Geheel overtuigend is deze verklaring echter niet. Uit het artikel zelf blijkt immers ondubbelzinnig de bedoeling dat een rechtspersoon wordt opgericht of erkend.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het waarborgfonds als bedoeld in de art. 23 e.v. Wam is te herleiden tot hoofdstuk 4 van de Richtlijn, dat uit twee artikelen, 10 en 11, bestaat. De titel van het hoofdstuk luidt: "Vergoeding voor schade veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in art. 3 bedoelde verzekeringsplicht is voldaan" en daaruit blijkt al dat het waarborgfonds in de systematiek van de Richtlijn een beperkte functie heeft. De lidstaten zijn slechts verplicht de bescherming door het waarborgfonds te bieden in geval van ten onrechte niet verzekerde of onbekend gebleven aansprakelijken. Hierna zal blijken dat dit niet geheel juist, althans volledig is: het waarborgfonds heeft ook een rol te spelen bij onder art. 5 lid 2 van de Richtlijn van de verzekeringsplicht vrijgestelde voertuigen.
De taken van het waarborgfonds worden geregeld in art. 10. De kop van dit artikel is in de Nederlandse versie enigszins verwarrend. Het waarborgfonds wordt aangeduid als 'schadevergoedingsorgaan', waardoor de vraag kan ontstaan of dit orgaan hetzelfde is als het schadevergoedingsorgaan bedoeld in art. 24. De Engelse versie van de Richtlijn roept deze vraag minder op: de titel van art. 10 luidt daar Body responsible for compensation, terwijl in art. 24 de term Compensation body wordt gebruikt. Waarom echter in art. 10 niet voor de in de 2e Richtlijn gebezigde aanduiding garantiefonds is gekozen blijft onduidelijk.1 Ik hanteer de in Nederland gebruikelijke aanduiding 'waarborgfonds'.
Art. 10 bepaalt dat het waarborgfonds in de bedoelde gevallen (van niet verzekerde of niet geïdentificeerde aansprakelijke) tot taak dient te hebben de materiële schade en het lichamelijk letsel ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden. Bepalend is dus in beginsel welke dekking op grond van de polis moet worden geboden. Het gaat hier om de dekkingsomvang zoals die door de nationale wet wordt voorgeschreven.
Met de tweede alinea van art. 10 wordt de lidstaten echter de mogelijkheid geboden om een belangrijk deel van deze aldus in beginsel voorgeschreven bescherming weer in te perken, door het waarborgfonds een subsidiaire positie te geven. De meeste lidstaten hebben in ruimere mate dan Nederland van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. De gedachte achter de subsidiariteit is dat de benadeelde zijn schade al uit andere bron vergoed heeft gekregen of heeft kunnen krijgen. Daarnaast biedt de Richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om de benadeelde onder bepaalde omstandigheden in het geheel geen toegang tot het waarborgfonds te bieden. En ten slotte kan nog worden gewezen op de beperking van de voor vergoeding in aanmerking komende schadeposten in geval van ongevallen veroorzaakt door niet-geïdentificeerde aansprakelijken: tenzij ook sprake is van aanzienlijk letsel behoeft alleen materiële schade te worden vergoed.
De formulering in art. 10 van de Richtlijn dat het waarborgfonds de schade ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering vergoedt moet derhalve op nogal wat punten worden genuanceerd.