Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.5
5.5.5 De te dekken schade naar haar aard
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394785:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de door de Duitse verzekeraar te bieden dekking voor zuivere vermogensschade par. 5.2.4.1.
Zie COM (2002) 244, Pb. C 227 d.d. 24 september 2002, par. 1.4 onder f.
Ter illustratie diene een praktijkgeval van het Waarborgfonds Motorverkeer, dat werd geconfronteerd met een claim van een automobilist die - gestaafd met de ondersteunende verklaring van een mede-inzittende - stelde door een tegenligger van de weg te zijn gedrukt, waarna hij tegen een boom belandde. Slechts door toeval kwam het Waarborgfonds er achter dat van een tegenligger in het geheel geen sprake was geweest en dat de claimant door eigen roekeloos rijgedrag uit de bocht was gevlogen.
De Richtlijn bepaalt dat het waarborgfonds materiële schade en lichamelijk letsel heeft te vergoeden. Deze schadesoorten moeten worden vergoed (ten minste) binnen de grenzen van de verplichte verzekering. Daaruit valt af te leiden dat de Richtlijn de lidstaten niet dwingt om onder de dekking van het waarborgfonds ook andere dan materiële schade en letsel te brengen. Vanuit deze optiek is er dus geen bezwaar vanuit communautair-rechtelijke hoek tegen dat het Duitse waarborgfonds, anders dan een verzekeraar, niet behoeft op te komen voor zuivere vermogensschade.1 Voor wat betreft de Nederlandse situatie is er anderzijds ook geen bezwaar tegen dat de Nederlandse wetgever het Waarborgfonds Motorverkeer ook een vergoedingsplicht oplegt voor vormen van zuivere vermogensschade in verband met een aansprakelijkheid als bedoeld in art. 3a Wam. De Richtlijn beoogt immers slechts minimumharmonisatie.
De verplichting om materiële schade te vergoeden kan door de lidstaten worden uitgesloten als zij is veroorzaakt door niet geïdentificeerde voertuigen, tenzij "het orgaan een vergoeding heeft betaald voor aanzienlijk lichamelijk letsel aan een slachtoffer van hetzelfde ongeval", aldus het derde lid van art. 10 van de Richtlijn. Heeft de onbekende aansprakelijke naast materiële schade ook aanzienlijk lichamelijk letsel toegebracht en is deze personenschade vergoed, dan dient deze materiële schade ook te worden vergoed, zij het dat de Richtlijn een 'franchise' van € 500 mogelijk maakt.
De formulering van de tweede volzin van het derde lid van art. 10 is niet geheel duidelijk, maar de Richtlijn lijkt te beogen dat ook de materiële schade moet worden vergoed die door andere (mede)slachtoffers wordt geleden die zelf geen aanzienlijk lichamelijk letsel hebben geleden. Daarop wijzen de woorden 'van hetzelfde ongeval', terwijl ook de ratio van de bepaling zulks lijkt mee te brengen. De bepaling van de tweede volzin van het derde lid van art. 10 is afkomstig uit de 5e Richtlijn en werd ingegeven door de overweging dat in een geval waarin naast materiële schade ook aanzienlijk lichamelijk letsel is veroorzaakt, aanmerkelijk minder gevaar voor fraude zou bestaan dan in gevallen waarin alleen van 'blikschade' sprake is.
"Uit een aantal klachten die door de diensten van de Commissie van slachtoffers van ongevallen zijn ontvangen, blijkt dat sommige lidstaten de uitkering van schadevergoeding door de nationale organen zelfs uitsluiten wanneer de specifieke omstandigheden elk gevaar van bedrog wegnemen, bijvoorbeeld wanneer het slachtoffer bij hetzelfde ongeval zowel lichamelijk letsel als materiële schade heeft geleden."2
De vraag is wel of deze overweging hout snijdt. Ook als er letsel in het spel is, is samenspanning tussen benadeelden en getuigen immers niet uit te sluiten, met name rond toedrachtkwesties3
Wat daarvan zij, deze ratio gaat ook op als naast het letselslachtoffer andere benadeelden slechts materiële schade lijden, hetgeen ervoor pleit ook de materiële schade te vergoeden van andere benadeelden bij hetzelfde ongeval dan degene die aanzienlijk letsel heeft opgelopen. Evenmin vereist de Richtlijn dat de letselslachtoffers zich in een motorrijtuig moeten bevinden.
Intussen is wel de vraag wat moet worden verstaan onder 'aanzienlijk lichamelijk letsel'. De Richtlijn geeft daaromtrent een enigszins onduidelijke aanwijzing. Art. 10 lid 3, laatste alinea van de Richtlijn bepaalt dat de voorwaarden waaronder van aanzienlijk letsel sprake is, in de nationale wetgeving of in de bestuurlijke bepalingen van de lidstaat van het ongeval dienen te worden omschreven. De toevoeging dat de lidstaten rekening kunnen houden met, onder andere, de vraag of het letsel in het ziekenhuis moest worden behandeld, geeft aanleiding tot de vraag of daarmee beoogd is aan te geven, dat de lidstaten niet bevoegd zijn strengere eisen te stellen, zoals bijvoorbeeld ziekenhuisopname gedurende een aantal dagen. De doelstellingen van de Richtlijn, met name die van slachtofferbescherming, lijken daaraan inderdaad in de weg te staan. In dit opzicht is voorts relevant, dat het oorspronkelijke Commissievoorstel in het geheel geen verduidelijking van het begrip 'aanzienlijk letsel' geeft en dat een amendement van het Europees Parlement waarin - om interpretatieproblemen te voorkomen - wordt gesproken over 'ziekenhuisverblijf, in de uiteindelijke tekst niet is overgenomen.
Ter illustratie: in België, waar het waarborgfonds in het algemeen geen materiële schade die door onbekenden is veroorzaakt vergoedt maar alleen wanneer deze gepaard gaat met aanzienlijk lichamelijk letsel, wordt blijkens art. 19bis - 13, § 3, derde alinea Belgische Wam, onder aanzienlijk lichamelijk letsel verstaan
"een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel:
1. de dood van de benadeelde;
2. een bestendige invaliditeit van 15% of meer;
3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;
4. een hospitaalopname van zeven dagen of meer heeft veroorzaakt.
De Koning kan de voorwaarden, waaronder een lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, nader bepalen of de lijst ervan aanvullen."
In Duitsland wordt in § 12, Absatz 21311VG een uitwerking gegeven aan art. 10 lid 3 van de Richtlijn:
"In den Fällen des Absatzes 1 Nr. 1 (onbekende dader, FJB) können gegen den Entschädigungsfonds Ansprüche nach § 253 Abs. 2 BGB nur geltend gemacht werden, wenn und soweit die Leistung einer Entschädigung wegen der besonderen Schwere der Verletzung zur Vermeidung einer groben Unbilligkeit erforderlich ist. für Sachschäden beschränkt sich in den Fällen des Absatzes 1 Satz 1 Nr. 1 die Leistungspflicht des Entschädigungsfonds auf den Betrag, der 500 Euro übersteigt. Ansprüche auf Ersatz von Sachschäden am Fahrzeug des Ersatzberechtigten können darüber hinaus in den Fällen des Absatzes 1 Satz 1 Nr. 1 nur geltend gemacht werden, wenn der Entschädigungsfonds auf Grund desselben Ereignisses zur Leistung einer Entschädigung wegen der Tötung einer Person oder der erheblichen Verletzung des Körpers oder der Gesundheit des Ersatzberechtigten oder eines Fahrzeuginsassen des Fahrzeugs verpflichtet."
Schade aan zaken wordt dus met een eigen risico van € 500 vergoed, terwijl schade aan voertuigen alleen wordt vergoed indien zij gepaard gaat met dood van (enige) persoon of de aanzienlijke aantasting van lichaam of gezondheid van hetzij de schadevergoedingsgerechtigde, dan wel van een der inzittenden (waaronder kennelijk ook te begrijpen de niet tot schadevergoeding gerechtigde bestuurder). Wat echter moet worden verstaan onder 'erhebliche Verletzung des Kfirpers oder der Gesundheit' blijft onduidelijk.
In Frankrijk is volgens art. R.421 - 18Code des Assurances vereist dat het slachtoffer hetzij is overleden, dan wel zeven dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest, gevolgd door een tijdelijke invaliditeit van minimaal een maand, dan wel een blijvende van ten minste 10%.
De vraag wat moet worden verstaan onder aanzienlijk letsel is voor benadeelden van een ongeval in Nedrland dat is veroorzaakt door een onbekend gebleven voertuig van beperkt belang. Het Waarborgfonds Motorverkeer vergoedt immers - zij het met een eigen risico van € 250 - materiële schade veroorzaakt door onbekend gebleven aansprakelijken ongeacht of daarbij enig letsel is opgetreden. Art. 10 lid 3 van de Richtlijn leidde dan ook niet tot de noodzaak de Wam aan te passen.
Wanneer Nederlandse ingezetenen in een andere lidstaat een ongeval overkomt waarbij de aansprakelijke onbekend blijft, is de kwestie meer relevant. In dat geval kunnen zij een verzoek om schadevergoeding indienen bij het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan, dat de schade zal behandelen op grond van de uitkeringsvoorwaarden van de lidstaat van het ongeval. Zie art. 25 van de Richtlijn en hierna, paragraaf 5.63.2.