Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.3
5.5.3 Territoriale dekkingsaspecten
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399550:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.6 en 52.10.
Vanzelfsprekend is de hier ontwikkelde gedachtegang niet van belang voor het geval van het niet-geïdentificeerde motorrijtuig. In een dergelijk geval kan immers niet worden vastgesteld in welke lidstaat het voertuig gewoonlijk is gestald.
Zie art. 2 van de Richtlijn. Dat Bureau heeft vervolgens weer een regresrecht op het Bureau van de lidstaat waar het onverzekerde voertuig gewoonlijk is gestald; in een aantal lidstaten kan dat garanderende Bureau de aan het 'regelend' Bureau gerestitueerde schade weer verhalen op het waarborgfonds in dat land, maar dat staat los van het principe dat dit waarborgfonds niet zelf door de benadeelde kan worden aangesproken.
Jurisdictie bestaat alleen in Nederland. Het waarborgfonds is geen verzekeraar en de art. 10 en 11 van Brussel I missen toepassing.
Kamer-stukken II 1991/92, 22 520, nr. 2, onderdelen A en B van het enige artikel.
Het uitgangspunt is dat de waarborgfondsen in beginsel alleen kunnen worden aangesproken voor ongevallen die zich op hun grondgebied hebben voorgedaan.1 Een ongeval veroorzaakt in een andere lidstaat dan die van de gewoonlijke standplaats, leidt niet tot een directe aansprakelijkheid van het waarborgfonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald.2 De benadeelde kan zich in dat geval wenden tot het Bureau van het land van het ongeval.3 Voor ongevallen veroorzaakt door bezoekende voertuigen is het groenekaartstelsel in het leven geroepen. Is de benadeelde woonachtig in een andere lidstaat dan die van het ongeval en dan die van de lidstaat waar het onverzekerde motorrijtuig gewoonlijk is gestald, dan heeft hij tevens toegang tot het schadevergoedingsorgaan, bedoeld in art. 24 en 25 van de Richtlijn van de lidstaat van zijn woonplaats.
Zo kan in dat regime een Duitser die in Duitsland slachtoffer wordt van een ongeval dat is veroorzaakt door een Nederlands onverzekerd motorrijtuig niet het Nederlandse Waarborgfonds aanspreken, maar zal hij zich hebben te wenden tot het Duitse Bureau.
De Franse benadeelde bij een ongeval in Duitsland dat door een onverzekerd Nederlands voertuig is veroorzaakt, heeft behalve tot het Duitse Bureau ook toegang tot het Franse schadevergoedingsorgaan (bedoeld in art. 25 van de Richtlijn).
Merkwaardig genoeg is dit uitgangspunt nergens met zoveel woorden in de Richtlijn te vinden. Naar mijn mening moet in beginsel van deze taakverdeling tussen waarborgfonds en Bureau worden uitgegaan.
De Nederlandse Wam breidt de toegang tot het Waarborgfonds Motorverkeer uit. Het Waarborgfonds heeft tot taak de schade aan benadeelden te vergoeden wanneer de verplichting tot verzekering niet is nagekomen, aldus art. 25 lid 1 onder b). De verplichte verzekering dekt ook schade die in andere lidstaten en bij AMvB aangewezen landen is veroorzaakt. Benadeelden van ongevallen veroorzaakt door onverzekerde Nederlandse motorrijtuigen in de hier bedoelde landen kunnen daarop een aanspraak op het Waarborgfonds Motorverkeer baseren.4 Deze uitgebreide dekking is vooral van belang voor Nederlandse benadeelden van ongevallen die in andere lidstaten slachtoffer zijn geworden van door onverzekerde Nederlandse voertuigen veroorzaakte ongevallen; de in het hiervoor gegeven voorbeeld bedoelde Duitser die in Duitsland het slachtoffer is geworden van een onverzekerd Nederlands voertuig zal zich immers eenvoudiger tot het Duitse Bureau kunnen wenden.
Met de hiervoor bedoelde uitgebreide toegang tot het Waarborgfonds Motorverkeer is het probleem opgelost dat de 4e Richtlijn er niet in voorzag, dat de inwoner van een lidstaat die in een andere lidstaat de benadeelde wordt van een door een gewoonlijk in de eigen lidstaat gestald, onverzekerd voertuig schade lijdt, in de lidstaat van zijn woonplaats een aanspreekpunt heeft.
De vraag is of dit oorspronkelijk de bedoeling van de Nederlandse wetgever is geweest. Bij de invoering van de aanpassingen van de Wam aan de 3e Richtlijn zijn in art. 3 lid 2 de woorden "de verzekering moet de schade omvatten, welke aan personen en aan goederen wordt toegebracht door in Nederland voorgevallen feiten" vervangen door - in essentie - de huidige formulering.5 Daarbij is kennelijk niet gedacht aan de gevolgen voor het Waarborgfonds Motorverkeer. In elk geval wordt in de parlementaire behandeling aan een dergelijk gevolg geen woord gewijd. Nu past de hier verdedigde opvatting op zichzelf goed in het stelsel van de 4e Richtlijn.
Wel moet worden opgemerkt dat ook slachtoffers van ongevallen in de in AMvB ex art. 3 lid 3 Wam genoemde niet-lidstaten (Andorra, Kroatië en Zwitserland), die door niet verzekerde, gewoonlijk in Nederland gestalde voertuigen zijn veroorzaakt, toegang tot het Nederlandse Waarborgfonds hebben.